Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Belonen van de hond


Het artikel "Het belonen van de hond" werd geschreven door Urs Ochsenbein en gepubliceerd in het blad Schweitzer Hundesport. De heer Ochsenbein heeft vele honden opgeleid tot o.a. speurhond, reddingshond etc. Aangezien bij de opvoeding van iedere hond het belonen uitermate belangrijk is, leek mij dit artikel ook voor onze leden zeer interessant.

Over het belonen van de hond

Net als over andere aspekten van het werken met honden, bestaan er ook over de wijze van belonen veel verschillende opvattingen. Wie met een bepaalde manier succes gehad heeft, moet echter oppassen "zijn" methode voor de enige goede te houden; immers, men moet open blijven staan voor alle methoden, zelfs de meest vreemde. Een hond reageert vanuit een bepaalde situatie op zijn eigen individuele wijze en als hij op de ene manier niet meer goed reageert, dan is het nuttig nog andere mogelijkheden ter beschikking te hebben.

Belonen met spelen, belonen met lekkers

De Amerikaanse dierenpsycholoog Daniel Tortora heeft overtuigend aangetoond dat veel van wat wij doen voor de hond een beloning betekent, zonder dat wij ons dat bewust zijn. Daardoor belonen wij een hond dikwijls voor iets wat hij doet en waarvoor hij beslist geen beloning verdient!

We leren dan a.h.w. de hond juist een verkeerde handeling aan; dit kan overigens óók gebeuren als we op het verkeerde moment of niet voldoende corrigeren of straffen. Spelen met de hond, hetzij met een stok of met een lap kan prima als beloning dienen. Sommigen vinden dit zelfs de beste methode. Voor een jonge hond is dit beslist ook fijn. Alleen: men moet op het goede moment wel een stok of lap bij de hand hebben! Met een lap is dat wel te doen, maar is vaak wel lastig. Bovendien is het in strijd met het principe dat een beloning, naarmate de opleiding resp. opvoeding vordert, steeds kleiner moet worden, om de ontvankelijkheid en gevoeligheid van de hond ervoor, op te voeren . Het zou helemaal verkeerd zijn vast te leggen op een beloning door middel van spelen, omdat men dan een belangrijk principe zou negeren nl. dat zowel beloning als straf op verschillende manieren gegeven moeten worden.

Dat werkt veel beter bij een hond dan een stereotype gedrag. Hetzelfde geldt uiteraard voor het alleen maar belonen door middel van iets lekkers.

Dit is wel praktischer. Men kan gemakkelijk iets in de zak hebben wat de hond lekker vindt en het dan precies op het juiste moment geven. Bij een jonge hond moet men daar echter wel voorzichtig mee zijn, want het leidt hem al gauw te veel af. De beste wijze van belonen is wel het beproefde liefkozen en het prijzen d.m.v. woorden: dit is in de meeste gevallen voldoende en kan bovendien gevarieerd worden. Een beloning met iets lekkers kan men bij jonge honden, als men het toch wil doen, het beste pas aan het einde van de oefening geven.

Iets anders is, dat het heel nuttig kan zijn om later, als er eventueel in één of andere fase van de opleiding mogelijkheden zijn, een nog nooit gebruikte manier van belonen achter de hand te hebben; voor de hond des te verrassender en daardoor sterk werkend. Ook daarom is het verstandig de jonge hond zo lang mogelijk niet d.m.v. iets lekkers te belonen. Maar hoe men ook beloont; het belangrijkste is dat de manier waarop, geschikt is voor juist die hond en die bepaalde situatie. Als allerbeste manier van belonen is echter te beschouwen dat een hond zodanig opgeleid wordt, dat het werk dat van de hond verlangd wordt, op zichzelf de fijnste beloning is.

D.w.z. dat men de hond zoveel plezier laat ondervinden aan zijn taak, dat hij die graag voor zijn eigen plezier uitvoert. Bijvoorbeeld het speuren: een hond doet dat met genoegen, ja eigenlijk van nature; wanneer men het hem tenminste niet tegen gemaakt heeft door een verkeerde manier van doen. Dat gebeurt nogal eens wanneer men er te weinig vanaf weet en men niet het noodzakelijke vertrouwen heeft in de speurzin en de speurijver van zijn hond.

Voor een goed opgeleide lawine- of rampenhond is er b.v. geen grotere beloning dan het vinden van de "buit", dus het gezochte objekt. Dit in het bijzonder als de gevonden mens nog leeft. De spontaniteit van het aanwijzen is, zoals de ervaring geleerd heeft, dan ook het grootst! Het zou geen zin hebben de uitgeputte hond op zo'n moment nog wat lekkers of zelfs een spelletje op te dringen.

Bovendien heeft men op zo'n ogenblik wel iets anders te doen; men kan volstaan met een korte liefkozing en wat prijzende woorden en men zorgt er allereerst voor dat de hond water krijgt! Maar wat de hond nu de diepste voldoening geeft, is ons hopelijk positieve stemming, ons heerlijk gevoel over het bereikte succes. Wanneer we deze ervaringen benutten bij de opleiding van de jonge hond, dan betekent dat, dat we ook bij eenvoudige oefeningen onze grote tevredenheid aan de hond laten merken, zodra er een prestatie geleverd is die lof verdient. Dat houdt in dat de baas wat moet kunnen toneel spelen en zich enthousiast moet kunnen tonen.

Wie hier moeilijkheden mee heeft, zal misschien toch naar de speelstok moeten grijpen. De beloning door spel is dan slechts een ezelsbruggetje voor de baas, die zijn hond anders niet zijn blijde gevoelens kan laten merken. Ook lof moet weloverwogen zijn.

Samenvattend kan men zeggen dat onze lof niet eenvormig, maar in alle opzichten flexibel en veelvormig moet zijn. En vooral: hij moet op het juiste moment gegeven worden, nl. zó dat de hond hem inderdaad met de gewenste volbrachte handeling verbindt en niet met iets heel anders. Bovendien moet de beloning passen bij de bepaalde situatie: bij de jonge hond moet veel en uitbundig beloond worden, in de eerste plaats door enthousiasme, meedoen van de baas en bij voorkeur zonder lekkere hapjes. Bij het vorderen van de opleiding wordt het belonen minder en korter, maar zonder aan intensiviteit te verliezen. De baas moet dan wel zeer geconcentreerd belonen! Hij moet precies weten wat hij doet en waarom. En zo mogelijk moeten we ernaar streven dat de gewenste handeling zelf de beloning voor de hond is. Dat lukt natuurlijk niet altijd. Echter, wie steeds probeert bij alles rekening te houden met de aard van de hond, zal merken dat dit niet alleen prettiger is voor de hond én de baas, maar ook meer oplevert.