Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Parvovirosis


Na een incubatietijd van 5-7 dagen treedt plotseling diarree op, die afhankelijk van de weerstand van de patiënt (en de sterkte van het virus) soms snel weer geneest. Als de patiënt weinig weerstand heeft of verzwakt is door bijv. worminfekties of andere ziektebeelden, kan het virus zich enorm snel vermeerderen in de darmcellen en zal de diarree overgaan in een bloederige maag-darm-ontsteking met dikwijls de dood als gevolg. Het sectie-beeld van parvo geeft een bloederige diffuse ontsteking van maag en darmen te zien en een aantasting van het lymphestelsel en bij pups onder de 3 weken ook hartspierontsteking en thymusatrophie. De aantasting van lever en nieren, alsmede de witte bobbeltjes in de darmen bij de hond wijzen of op een bacteriële onsteking die boven op de parvo-infektie is gekomen of op een op zichzelf staande bacteriële infektie die ook gepaard kan gaan met bloederige diarree (bijv. voedselvergiftiging, sommige corona-virussen, vergiftigingen met dicumarol = rattengif). De juiste oorzaak is dikwijls alleen via laboratoriumonderzoek van de ontlasting of van bloedserum te bepalen.

De enting tegen parvo werkt over het algemeen ± 1 jaar, zodat de hond geen goede weerstand meer had tegen parvovirose. Normaal gesproken is parvo bij een hond van 5 jaar niet dodelijk, maar in dit geval is er waarschijnlijk méér aan de hand geweest bijv. met lever en nieren, want die worden door parvo alléén nóóit aangetast. Het parvovirus vermeerdert zich alleen in de snel delende cellen van het maagdarmkanaal en het lymphoide systeem en zoals eerder gezegd bij pups onder de 3 weken in de hartspier, dus lever en nieren wor- den niet aangetast.

Entingen

Er bestaan momenteel 4 soorten parvoentstof en er is een serum tegen het parvovirus. Het serum is eigenlijk niets anders dan een oplossing met antistoffen gericht tegen het parvovirus. Dit serum spuiten we in als we infektie met parvo vermoeden; de ingespoten antistoffen maken het in de hond aanwezige parvovirus dood, zodat de infektie niet verder gaat.

Entstof is weer heel iets anders, dat bevat geen antistoffen tegen parvo maar bevat öf gedood parvovirus öf levend verzwakt parvovirus. Dit wordt bij de gezonde hond ingespoten en het lichaam van de hond maakt zelf antistoffen tegen het ingespoten virus. Deze antistoffen blijven ongeveer 1 jaar in voldoende hoeveelheid aanwezig om een echte parvo-infektie te voorkomen. Door jaarlijks te herenten blijft zo de weerstand gehandhaaft.

Er is in effektiviteit weinig verschil tussen dode en levende entstof en ook weinig verschil tussen entstof op basis van katte-parvo of op basis van hondeparvovirus. Zowel dode als levende entstof geeft zeker één jaar bescherming. Levende entstof heeft als nadeel dat het niet gebruikt mag worden bij drachtige teven en dat er, wetenschappelijk gezien, het risico aan verbonden is dat het levende verzwakte virus door mutaties weer ziekte-verwekkend zou kunnen worden. Het voordeel van een levende entstof is, dat het iets sneller werkt en iets langer weerstand geeft.

Pups en parvo

Het feit dat 2x geënte pups alsnog aan parvo sterven komt inderdaad wel eens voor. Dit is een probleem dat veroorzaakt wordt door de antistoffen die de pups via de melk van de teef hebben meegekregen.

Deze "maternale" antistoffen zijn normaal na ± 10 à 12 weken niet meer aanwezig en moet de pup zèlf antistoffen gaan aanmaken. Als de teef erg veel antistoffen aan de pups meegeeft, dan kunnen die soms nog aanwezig zijn als de pup 3 maanden is. De parvo-enting op 6 weken heeft dan niet gewerkt en de enting op 3 maanden kan dan zelfs nog onwerkzaam worden gemaakt door de van de teef afkomstige (maternale) antistoffen in de pup.

Op 4 of 5 maanden leeftijd raakt deze pup de maternale antistoffen kwijt en is dan ondanks de entingen toch nog vatbaar voor een parvo-infektie. Honderd procent zeker is de enting hierdoor dus niet en om de zekerheid te verhogen wordt nu ook wel geadviseerd om pups op 6-8-12 en 18 weken tegen parvo te enten. Een jaarlijkse herenting wordt aanbevolen.

W. L. Keers, dierenarts.