Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Inenten


Wat, waarom en wanneer

U bent in het bezit van een hond. Of van meer dan één. Misschien bent u fokker. Ongetwijfeld bent u het begrip inenten (vaccineren) tegengekomen en is uw hond waarschijnlijk reeds meerdere malen ingeënt. Dit artikel wil het inenten nader uit de doeken doen, zodat duidelijker moge worden waarom het noodzakelijk is dat uw hond regelmatig wordt ingeënt en wat er dan in uW dier gebeurt.

Wat is inenten?

Inenten is het beschermen (van b.v. een hond) tegen bepaalde ziekten. Dit gebeurt door het toedienen van een entstof. Bij de meeste ziekten is het zo, dat als een dier een bepaalde ziekte heeft doorgemaakt, het dier de eerste tijd niet meer dezelfde ziekte kan krijgen: het dier is beschermd (immuun). Dit komt omdat de ziektekiemen (bakteriën of virussen) een afweerreaktie teweegbrengen, waardoor o.a. stoffen in het dier worden gevormd die de ziektekiemen kunnen doden. Het kan echter ook gebeuren dat de hond zo ernstig ziek wordt dat hij of zij aan de ziekte sterft. Wanneer een dier wordt ingeënt, worden verzwakte of dode ziektekiemen in het dier gebracht. Door de ziektekiemen te verzwakken of te doden wordt het dier niet ziek van de inenting en treedt toch een afweerreaktie op. Er worden namelijk ook nu stoffen gevormd (antilichamen), die de ziektekiemen onschadelijk maken. Het duurt meestal twee tot drie weken voordat het lichaam voldoende antilichamen heeft gemaakt om tegen de ziekte(n) beSchermd te zijn (zie figuur l). Als het dier na die periode besmet raakt, wordt het niet ziek.

Waar tegen inenten?

Honden kunnen worden ingeënt tegen vele - maar niet alle - ziekten. Het is immers mogelijk een afweer op te bouwen tegen bakteriën en virussen, maar niet tegen b.v. heupdysplasie. De belangrijkste ziekten bij honden waartegen vaccins bestaan zijn hieronder vermeld.

Hondeziekte (ziekte van Carré, Distemper, afgekort C of D)

Vooral jonge honden zijn gevoelig en sterfte kan dan al snel optreden. De ziekte komt wereldwijd voor, met als belangrijkste verschijnselen: koorts, braken, diarree, longproblemen, oogontsteking en zenuwverschijnselen. Soms treedt dikke verhoorning op van zoolkussens en neus. Ook oudere honden die langere tijd niet zijn geënt kunnen ziek worden. Besmettelijke leverziekte (Hepatitis contagiosa canis, afgekort A2 of H). Ook dit is een virusziekte, die bij pups en ook bij volwassen honden plotselinge sterfte kan veroorzaken. Tot de verschijnselen behoren: koorts, braken, diarree, bloedingen (ook in huid en slijmvliezen) en oogontsteking. De ziekte wordt veroorzaakt door het Canine Adeno Virus type 1 (CAV1), maar entstoffen die dit virus bevatten kunnen aanleiding geven tot bijwerkingen. De meeste entstoffen bevatten tegenwoordig daarom het type 2 virus (CAV2 of A2 ), dat volledige bescherming biedt tegen de leverziekte en ook tegen de longproblemen die oudere honden kunnen vertonen na besmetting met dit virus. Een dubbele bescherming dus!

Leptospirose (ziekte van Weil, afgekort L of Lci)

Leptospirose komt bij honden voor, maar ook b.v. bij mensen, koeien en varkens. Er bestaan vele verschillende soorten verwekkers (leptospiren) van deze ziekte. Bij de hond zijn twee soorten leptospiren verantwoordelijk voor de meeste ziekteuitbraken. Deze twee zijn dan ook in de meeste vaccins verwerkt (afgekort Lci). Honden die lijden aan deze ziekte zijn vaak zeer ziek, de lever en nieren zijn ernstig ontstoken. Een intensieve behandeling kan niet altijd sterfte voorkomen.

Parvovirusenteritis (afgekort P of Pv)

Deze ziekte wordt gekenmerkt door diarree, vaak met bloed. Jonge honden zijn erg gevoelig en kunnen snel sterven. Een ontsteking van de hartspier kan, als de hond van de ziekte herstelt, op latere leeftijd problemen geven. Het parvovirus blijft zeer lang leven en kan daardooe in een éénmaal besmette omgeving lange tijd gevaarlijk blijven voor andere honden. Vaccins hebben gezorgd dat de ziekte behoorlijk is teruggedrongen.

Hondsdolheid (Rabiës, afgekort R)

Deze ziekte is zeer gevaarlijk voor vele zoogdieren, alsmede voor de mens. Rabiës wordt meestal overgebracht door een beet (speeksel!) van een aan rabiës lijdend dier. In Nederland is in 1988 Weer rabiës uitgebroken. Het virus dringt via de zenuwbanen de hersenen binnen. Vaak treden gedragsveranderingen op: levendige honden worden zeer sloom en stil, rustige honden soms juist zeer wild. Agressiviteit en angst voor water kunnen optreden. Wanneer niet wordt geënt is de ziekte vrijwel altijd dodelijk. Voor honden die naar het buitenland gaan is enting verplicht! De enting dient minimaal dertig dagen vóór vertrek naar het buitenland te zijn toegediend. Per land kan de maximale tijd die mag verlopen tussen de laatste rabiës-enting en vertrek verschillen.

Kennelhoest

Dit is de naam voor de droge, harde hoest die regelmatig wordt gezien bij dieren die in kontakt zijn geweest met vele andere honden (kennel, pension, tentoonstelling, opvoedingskursus, trimsalon etc.). De ziekte kan soms verergeren tot een longontsteking maar is ook in minder ernstige vorm voor hond èn eigenaar zeer hinderlijk. Er is niet één verwekker, maar meerdere virussen en bakteriën spelen een rol. Ook het hondeziektevirus en het CAV2 kunnen bij honden met problemen van de bovenste luchtwegen worden gevonden, dus regelmatige herhalingsentingen tegen deze ziekten zijn ook om kennelhoest te helpen voorkomen sterk aan te raden. Entstoffen tegen kennelhoest dienen Bordetella bronchiseptica èn Parainfluenza type 2 te bevatten, omdat deze ziekteverwekkers voor een duidelijke kennelhoest zorgen. Deze entstoffen geven bij de risico-honden een aanzienlijke bescherming tegen kennelhoest.

Aujeszky

De ziekte van Aujeszky is vooral een aandoening van het varken. Via varkens kunnen echter ook honden worden besmet. De ziekte is voor jonge èn volwassen honden zeer gevaarlijk. Meestal volgt de dood binnen enkele dagen. Honden die in kontakt (kunnen) komen met varkens, varkensmest of varkensvlees zoals b.v. jacht en boerderijhonden, lopen risico. Sinds enkele jaren bestaat een entstof, waarvan bewezen is dat deze honden kan beschermen tegen de ziekte van Aujeszky (Geskypur°). De dieren moeten elk half jaar een herhalingsenting toegediend krijgen.

Babesiose

Babesiose, een parasitaire ziekte, komt in Nederland eigenlijk alleen voor bij honden die in landen rond de Middellandse Zee zijn geweest. Vooral Midden- en Zuid-Frankrijk zijn berucht. In die streken komen nl. de teken voor die de ziekte kunnen overbrengen. De parasiet leeft in de rode bloedcellen. Tot nu toe bestaat slechts één vaccin (Pirodog°) dat honden die naar deze risico-gebieden gaan, kan beschermen. Ook deze enting moet regelmatig worden herhaald, als de hond vaker naar het buitenland gaat. Honden die nooit naar het buitenland gaan behoeven dan ook niet tegen Babesiose te worden ingeënt.

Wanneer enten?

Het moment waarop uw hond geënt moet worden hangt van een groot aantal faktoren af. In de wetenschap bestaat dan ook geen eensluidende mening voor wat betreft ent-adviezen, vanwege vele komplicerende faktoren. Enkele faktoren zijn:

Bescherming

Kan een hond die geënt is de ziekte nooit meer krijgen? De kans dat regelmatig geënte honden toch ziek worden is zeer klein, zeker met de steeds beter wordende entstoffen. Maar zoals reeds is beschreven is de kans hierop groter als het lang geleden is dat de hond is geënt. Het hele afweersysteem is zeer ingewikkeld en wordt door zoveel faktoren beïnvloed, dat (nog) niet voorkomen kan worden dat elk jaar toch weer enkele honden de ziekte krijgen ondanks één of meer entingen. Vaak is het dan wel zo, dat de hond veel minder ernstig ziek wordt dan wanneer er niet was geënt. In Nederland worden elk jaar vele tienduizenden dieren geënt, terwijl slechts enkele dieren ziek worden. De kans is dus minimaal. De wetenschap boekt, samen met de industrie, telkens weer vooruitgang in de strijd tegen besmettelijke ziekten.

Wanneer enten?

Pups krijgen bij de fokker hun eerste (nestenting) meestal op een leeftijd rond de zes tot acht weken. Naarmate een pup, ouder wordt, daalt de hoeveelheid antilichamen die de pup van de teef heeft gekregen (via de melk). De entingen werken beter als die antilichamen zijn verdwenen (zie figuur 2). Te vroeg enten, bijvoorbeeld op drie weken leeftijd, heeft daarom weinig zin en wordt alleen toegepast bij speciale problemen. Vanaf zes weken leeftijd kan met succes worden geënt. Voor Parvo geeft daarvoor een levende entstof de beste resultaten, ook als nog een kleine hoeveelheid antilichamen aanwezig is. Soms geeft men er de voorkeur aan op wat latere leeftijd met de Parvo-enting te beginnen, bijvoorbeeld op negen weken. De nestenting dient in iedere geval te beschermen tegen hondeziekte en afhankelijk van de omstandigheden ook tegen Parvo en de ziekte van Weil. Jonge honden moeten altijd op een leeftijd van ongeveer drie maanden een tweede enting krijgen. Dit is vaak een zogenaamde cocktailenting, zo genoemd omdat de enting tegen meerdere ziekten beschermt.

Deze cocktailenting is nodig omdat van bepaalde ziekten bekend is dat de hond pas na twee entingen beschermd is. Door met één enting te volstaan zou de hond nog ernstig ziek kunnen worden. Daarnaast kan bij pups, zoals reeds beschreven, de maternale immuniteit de reaktie op de eerste enting negatief beïnvloeden. Voor de ziekte van Weil kan bij jonge honden een derde vaccinatie in het eerste levensjaar nodig zijn. Enige tijd geleden hebben onderzoekers van de Faculteit voor Diergeneeskunde in Utrecht namelijk aangetoond dat speciaal bij de ziekte van Weil een extra enting sterk is aan te bevelen op een leeftijd van vier tot zes weken. Oudere honden dienen tenminste om het jaar een herhalingsenting tegen Parvo en de ziekte van Weil te krijgen en om de twee jaar tegen honde- en besmettelijke leverziekte. De ziekte van Aujeszky en kennelhoest zijn speciale aandoeningen, waartegen in principe niet alle honden behoeven te worden geënt.

Entschema

6 - 8 wekennestenting
8 - 9 wekeneerste Parvo: levende entstof
12 wekencocktailenting
14 - 16 wekenziekte van Weil
15 maandencocktail
2e jaarParvolziekte van Weil
3e jaarcocktail

Het entschema voor de ziekte van Aujeszky begint met twee entingen met drie tot vier weken tussentijd, gevolgd door herhalingsentingen om het halfjaar. Ervaringen met deze entingen geven blijk van een goede bescherming bij de risico-honden, als nauwkeurig het entschema wordt opgevolgd. Als een hond voor de eerste maal tegen kennelhoest wordt geënt, kunnen twee entingen nodig zijn met een tussentijd van enkele weken. De eerste enting dient dan twee tot vier weken vóór plaatsing in het pension te worden toegediend. De herhalingsenting kan vervolgens ieder jaar ca. één week vóór plaatsing in een pension worden toegediend. Het entschema tegen Babesiose begint met twee entingen met enkele weken tussentijd, gevolgd door een herhalingsenting om de zes tot twaalf maanden. Voor honden die regelmatig in de risicogebieden vertoeven kan enting een uitkomst zijn. Tegen Rabiës is voor honden vanaf twaalf weken één enting voldoende voor een langdurige bescherming. Wettelijk is verplicht dat honden die naar het buitenland gaan niet korter dan dertig dagen geleden zijn gevaccineerd. Ga daarom tijdig naar uw dierenarts!