Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Tandsteen


Beoordeling van het exterieur

De anatomie van de Duitse Herdershond wordt op een clubmatch bekeken gedurende de zogenaamde standkeuring. Hierbij houdt de geleider de hond staande, in een dusdanige positie dat hoekingen en verhoudingen van het dier zo optimaal mogelijk door de keurmeester beoordeeld kunnen worden. De keurmeester bekijkt de hond van alle kanten, stelt vragen aan de geleider, laat de hond van zich af en weer terug stappen en bekijkt het gangwerk door hond en geleider enkele ronden om hem heen te doen draven. De keurmeester schrijft zijn bevindingen op of laat dit doen en roept de volgende hond op. Het lijkt simpel doch er zit meer aan vast dan men op het eerste gezicht zou denken. Bekijken we daarom de standkeuring eens in details.

Positie en houding

Is het tonen van het gebit reeds vooraf geschied dan neemt u met uw hond een dusdanige positie in dat u ongeveer vijf meter van de keurmeester af bent en zet u de hond met de flank naar de keurmeester toe, met de kop in de richting die u het gunstigst acht. (Bijvoorbeeld van de zon af, als de oogkleur aan de lichte kant is.) Uzelf behoort ten opzichte van de keurmeester achter de hond te staan. Het grootste probleem vormt voor de meesten het rustig doen zijn van zijn hond. Dit valt te bereiken door vooraf een korte warming-up te lopen met hem, daarbij echter wel goed lettend op uw beurt! Wanneer u tevens tijdens het in stand staan iemand kort laat roepen of een bekend geluid laat produceren, doch in een dusdanige positie dat de aanroeper voor de hond niet zichtbaar is, dan zal de aandacht van de hond gewekt zijn, doch hij zal niet staan te springen om naar de kant te willen.

Voor sommige honden is het echter raadzaam beter helemaal niet te doen roepen. Dit moet van tevoren bekend zijn en goed doorgesproken met de helpers langs de lijn. Het frekwent roepen werkt meestal averechts. De aandacht van de hond verslapt snel. Afgezien daarvan hebben we in feite de morele verplichting dit aanroepen niet uit de hand te laten lopen daar dit volgens de reglementen van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied wel degelijk strafbaar is. Wordt men door de ringmeester erop geattendeerd dat aanroepen of in het algemeen gesproken het "aandacht trekken van de hond" niet toegestaan is, dan doet men er wijs aan deze vorm van "double-handling" achterwege te laten.

Een attente hond toont zich onmiskenbaar beter: zijn oren staan rechtop, zijn houding is licht opgericht, zijn spieren zijn straffer, de hond houdt door de warmingup de bek open en toont aldus een mooiere uitdrukking; hiertegenover staat als nadeel dan wel een eventueel heen en weer zwaaiende, soms hoog opgerichte staart. Rustgevende woorden, strijken over de rug van de staartaanzet zijn een voor de hand liggende remedie.

Begint de hond te bokken, dan is het zaak de hond onder appèl te brengen en hem onder bevel te doen staan. Lijfelijke straffen halen weinig uit en u kunt uitsluitend een opmerking over het karakter van de hond krijgen, wanneer u dit te ver doordrijft. Bovendien is de keurmeester gerechtigd u op grond van onsportief gedrag achteruit te zetten of te diskwalificeren. Het toedienen van lijfelijke straffen behoort mijns inziens in het algemeen achterwege te blijven. Breng de hond zover dat hij het verlangde wil doen om het werk zelf en om zijn baas te behagen en niet uit vrees voor straf. Het verstrekken van lekkernijen als middel om iets gedaan te krijgen is nu ook geen faktor om de arbeidslust te vergroten. Arbeidslust is een term die we niet alleen in de africhting hanteren doch zeker ook op clubmatches en tentooristellingen.

De wil te werken en de wil om de baas te behagen moet als zeer positief opgevat worden. Zij vormt een wezenlijk onderdeel van de gebruikswaarde van het dier. "Willingness-to-please" is een belangrijk onderdeel van de "geschiktheid voor het werk".

Wat is de ideale stand van de hond?

Een zo ideaal mogelijke stand is eerst en vooral een natuurlijke stand, waarbij het lichaamsgewicht gelijkmatig over de vier poten verdeeld is. We zien daarbij graag dat de voorpoten zowel van voren als van opzij bezien recht staan. De achterpoten staan, van opzij gezien, licht uiteen, van achter bezien recht, in twee evenwijdige vlakken.

De achterpoot, welke zich bevindt aan de zijde van de keurmeester, wordt geacht in een dusdanige positie naar achteren te staan dat de middenvoet van de hond loodrecht ten opzichte van de bodem staat. Het dier behoort de indruk te wekken vanuit deze attente houding onmiddellijk weg te kunnen lopen.

De ruglijn ligt daarom zo vlak mogelijk, hetgeen niet te verwezenlijken is bij het overdreven neerzetten van de achterhand. Overigens is een hond welke achter overdreven neergezet is teneinde meer hoeking te suggereren, niet meteen te omschrijven als een "berg-af"-type zoals dit gemakshalve gedaan wordt. We spreken dan liever van een "berg-af"-stand.

In deze stand zien we dat de voet van de achterpoot welke niet aan de zijde van de keurmeester staat, veel te ver naar voren wordt geplaatst, terwijl de voet van de andere achterpoot weer veel te ver naar achteren gaat. Resultaat van deze geforceerde houding: de achterhand zakt wat door, zodat de hond wel meer hoeking lijkt te bezitten, doch dan met een sterk aflopende ruglijn en een totale verstoring van een natuurlijke biomechanisch evenwicht.

Op een natuurlijke wijze neergezet zonder overdrijving, is een hond optimaal te beoordelen, terwijl daarnaast ook het beoordelen van het gangwerk inzicht kan verschaffen omtrent bouw en hoeking van het dier.

Het opbouwen van een goede stand

Van een ideale situatie is sprake wanneer we de hond onder toevoeging van het bevel "sta" met gevierde lijn uit zichzelf de vereiste positie kunnen laten innemen. Door de lijn even iets minder strak te houden, geven we de hond te kennen dat hij een enkele stap naar voren kan doen, wanneer bijvoorbeeld de verkeerde achterpoot naar achteren zou staan. Evenwel, dit valt slechts te bereiken met behoorlijk goed opgebouwde honden, die rustig kunnen zijn en toch attent, goed onder appèl staan en voorgebracht worden door iemand die inzicht heeft in de anatomie van de Duitse Herdershond en doorkneed is in het voorbrengen.

Er is een regel die iedere exposant zou moeten kunnen dromen: "Een goed opgebouwde hond staat altijd goed".

De meeste honden bezitten kleinere of grotere onvolmaaktheden, die we door een juiste wijze van voorbrengen moeten trachten te verdoezelen of beter gezegd: we moeten trachten te voorkomen dat de fouten geaccentueerd worden. Met name dit laatste duidt op een filosofie welke menig africhter zou behoren te kennen om meer begrip op te brengen voor de fokkerij.

Trucage bij het voorbrengen, mits het binnen het sportieve blijft, moet gezien worden als het afleiden van de aandacht op bepaalde fouten. Doch juist dit valt bij menig africhter verkeerd. Onbegrijpelijk, temeer als men beseft dat het arsenaal aan trucs bij een ervaren africhter veel groter is!

Een ieder moet vrij zijn een hond zo optimaal mogelijk te showen, mits men elkaar niet hindert, niet het uiterste vergt van de hond en ... sportief blijft.

Onervaren exposanten doen er goed aan een bepaalde volgorde van handelingen aan te houden wanneer de stand opgebouwd wordt. Een langdurige, opbouwende, doch niet overdreven geaccentueerde voorbereiding vormt de basis en schept tot op zekere hoogte dat het in stand zetten vlot verloopt. Hoe eerder de hond staat, des te meer tijd heeft de keurmeester, zich een juist oordeel te vormen over uw hond.

Belangrijk in dit verband is het om wanneer de voorgaande geleider met hond het teken krijgt het veld te verlaten, u onmiddellijk naar de keurmeester te begeven. Een korte groet komt ook bij deze man positief over, evenals een duidelijk en beknopt antwoord op de vragen die hij stelt.

Wat behoort u te weten van uw hond tijdens de standkeuringen?

In de eerste plaats de leeftijd van de hond! Ergerlijk en onnodig tijdrovend is de situatie waarin de geleider aan de helper moet vragen hoe oud de hond is.

Bereidt u er op voor dat tevens geïnformeerd wordt of de hond geröntgend is en met welk resultaat. Bedoeld wordt uitsluitend het officiële HD-onderzoek, dat eerst op een leeftijd van op zijn vroegst twaalf maanden plaats kan hebben gevonden. Is uw hond jonger dan een jaar, dan zal het hem uiteraard niet aangerekend worden niet in het bezit te zijn van een "a"-stempel.

In de gebruikshondenklasse wordt daarnaast veel waarde gehecht aan door de hond behaalde werkcertificaten e.d. (VH-, Sch.H., IPO- of IER-diploma).

Indien de hond africhtingskentekenen behaald heeft of aangekeurd is, zorgt u dan dat u de bewijzen daarvan op zak heeft (werkboekje, aankeuringsformulier). Tevens de stamboom met paspoort waar ondermeer het tatouage-nummer in staat. Dit nummer kan af en toe gekontroleerd worden en vergeleken met het nummer in de oren van het dier.

De keurmeester kan al deze bescheiden ter inzage vragen. Waarschijnlijk onnodig aan te stippen dat deze belangrijke papieren niet in de verkeerde handen terecht moeten komen. Tijdens het beantwoorden van de gestelde vragen zorgt de geleider dat de hond zich niet op een ongunstige wijze toont(!).

Zoals in het voorgaande reeds aangestipt is: als gewichtigste criterium bij het in stand zetten is het rustig doen zijn van de hond. Maak hem duidelijk dat het de bedoeling is dat hij staan blijft. Bij goede voorbereiding heeft de hond dit onmiddellijk door. Als eerste handeling strijkt u vervolgens even over de rug. Deze handeling wekt bij de hond aangename gevoelens op en hij zal geneigd zijn de komende gebeurtenissen lijdzamer te ondergaan. De stem van de geleider speelt eveneens een belangrijke rol. Gedurende de gehele standkeuring wordt op de hond rustig ingepraat.

De techniek van de standkeuring in details

Met de hond in attentie-houding wordt getracht de voorhand binnen redelijk korte tijd gunstig te doen uitkomen door de hond met de ene hand onder de hals te steunen en te krabbelen en met de andere hand hem voor even op te tillen door hem onder de borstkas te vatten. Er zijn exposanten die zich licht over de hond heen naar voren buigen en de hond, met beide handen voor linker- en rechteropperarm pakken en hem zo in positie tillen. De voorpoten komen daarbij verder onder het lichaam te staan hetgeen een goede hoeking vóór benadrukt en de ellebogen goed aansluitend doet zijn. Dit effekt verkrijgt men ook door desgewenst die voorpoot welke voor de keurmeester te zien is, een paar centimeter verder naar achteren te zetten dan de andere. De elleboog wordt daarbij tevens tegen het lichaam aangeduwd.

Een hond met een goede voorhand behoeft al deze kunstgrepen niet te ondergaan. Bij een redelijk attente houding staat hij altijd goed.

Met de ene hand strelend onder de kin, strijkt men de andere hand enkele malen over de rug, intussen steeds verder naar achteren gaand. Dit strelen mag gerust met lichte druk gepaard gaan om de hond min of meer te dwingen zijn lichaamswicht gelijkmatig te verdelen.

Vervolgens zet u de achterpoot welke zich aan uw zijde bevindt, licht naar voren. Nooit overdrijven, want anders lijkt de hond een afvallende croupe te bezitten enlof een gebogen ruglijn.

De hand gaat even terug naar de rug om te strelen en vervolgens zet men de andere achterpoot naar achteren, zó ver dat de middenvoet rechtop staat. Men omvat hierbij de achterpoot niet volledig, doch tilt de achterpoot iets op door onder de knie van de hond te pakken. Dit gebeurt in een paar tellen. Opnieuw strelen met lichte druk waardoor het gewicht inderdaad goed verdeeld wordt. Een goed weggezette, redelijk gebouwde en rustige hond blijft dan staan. Met de stem probeert u hem in zijn positie te houden. De attentie kan af en toe gewekt worden door uit het zicht kort aan te laten roepen.

Rammelen of zwaaien met een bekend voorwerp heeft soms meer effekt dan het gebruik van fluitjes, die voor de omstaanders erg hinderlijk kunnen zijn.

Bij het attenderen van een hond is de herkenning een belangrijker aspekt dan het geluidsvolume. In het heetst van de strijd kan het echter best moeilijk zijn om het enthousiasme in te tomen.

De positie van de poten

Het is belangrijk te weten of uw hond krap, normaal of scherp gehoekt is. Bij een matig gehoekte achterhand is het zaak zoveel mogelijk hoeking te laten zien. Dit kan bereikt worden door de achterpoot welke naar achteren staat, direkt naast de denkbeeldige lijn te zetten, welke loopt midden tussen de voorpoten naar achter toe tussen de achterpoten en onder de staart. Een lijn die de hond over de lengte in tweeën deelt. Zou men de achterpoot te ver naast de lijn zetten dan heeft de hond méér beenlengte nodig om zijn achterpoot even ver naar achteren te zetten. Van opzij bezien lijkt de hond meer hoeking te bezitten indien hij praktisch op de denkbeeldige lijn staat.

Een scherp gehoekte hond wordt met de bewuste achterpoot verder van deze lijn afgezet, heeft daardoor meer beenlengte nodig om even ver naar achteren te kunnen staan en de hoeking lijkt minder uitgesproken.

In pootafdrukken

Pootafdrukken
Het is hierbij evenwel zaak goed te letten op natuurlijke gewichtsverdeling. Door de achterpoten te verzetten wordt instabiliteit in de hand gewerkt. Vaak herstelt de hond het evenwicht zelf.

De achterpoot, welke aan de kant van de geleider staat, kan gebruikt worden om correcties in de croupe-helling aan te brengen. Een te sterk afvallende croupe kan optisch verbeterd worden door middel van het wat achteruit zetten van genoemde poot. Het te ver naar voren zetten van deze poot is een fout waar velen gemakkelijk in vervallen. In Amerika is het ver uiteenzetten van de achterpoten helaas gemeengoed geworden. Bereikt wordt daarmee wel dat de totale achterhand zakt ten opzichte van de voorhand. De indruk wordt gewekt te maken te hebben met een hond met een hoge schoft en een aflopende ruglijn. Heel indrukwekkend doch foutief: de ruglijn behoort nagenoeg horizontaal te liggen met bij de schoft een lichte welving naar boven en vervolgens geleidelijk aan overlopend in de nek. Naar achter toe verloop de rug vanaf de croupe eveneens geleidelijk naar beneden. De zogenoemde "berg-af"-honden zijn biomechanisch gezien géén doeltreffende dravers!

Dit laatste is ook niet het geval bij honden wier ruglijn opvallend gebogen is. Een verschijnsel dat uiteenlopende uitingsvormen heeft. De lendenstreek kan opgetrokken zijn, hetgeen soms te wijten is aan een zwakke rug (onvoldoende of onjuiste training dan wel erfelijke aanleg hiertoe), doch het verschijnsel treedt ook meer naar voren op, wanneer reeds vanaf de diafragmatische wervel de wervelkolom een te sterke kromming bezit.

Een soepele krachtsoverbrenging van achterhand op voorhand wordt hierdoor gesto rd. Evenwel: bij een goede lengte van opperarm en schouder alsmede dito hoeking wordt de krachtsoverbrenging toch redelijk goed opgevangen en is de tredwijdte vóór bevredigend.

Tijdens het in stand zetten behoort de ruglijn kritisch bekeken te worden. Vertoont de hond een lage schoft, probeer hem attenter te doen staan enlof corrigeer eventueel te ver uiteenstaande voorpoten.

De reeds eerder vermelde elfde of diafragmatische wervel veroorzaakt de immer aanwezige knik. Dit is geen echte fout, doch een eigenschap van de wervelkolom. De belijning wordt er echter door gestoord. De knik achter de schoft varieert van hond tot hond. Mede spelen een rol: de rugspieren, de voedingstoestand en vooral de beharing. Met name dit laatste vormt tevens een middel een en ander te maskeren. Ter hoogte van het knikje worden met licht gespreide vingers de haren naar voren gestreken. Met een voorzichtige strijkbeweging met de volle hand worden de haren terug naar achteren geduwd. Als het goed is, vallen de haren recht naar achteren, daarbij de knik verbergend. Een warrelige beharing stoort echter weer de belijning: zorgvuldigheid is daarom geboden.

Uiteraard niet corrigeren wanneer de keurmeester staat te kijken: men attendeert hem dan op de fouten.

De beoordeling in front

Wanneer de keurmeester de hond van opzij bekeken heeft begeeft hij zich naar een positie waarin hij de hond frontaal kan bezien. Eventuele onvolmaaktheden in de stand der voorbenen zult u voor zover dit mogelijk is binnen luttele seconden dienen weg te werken. Een hond zonder opvallende fouten laat men eenvoudig een stap voorwaarts doen, waardoor de poten vanzelf goed komen te staan.

Honden met neiging tot een zogenaamde "franse" stand, waarbij de middenvoeten naar buiten gedraaid zijn, dient men met aandacht neer te zetten, waarbij een attentvolle houding zijn nut zal opleveren. Een korte roep (alweer buiten zicht) bewerkstelligt de aandacht.

In het algemeen een teken tot roepen kan het beste geschieden in gebarentaal. Vooraf bespreekt u waar de diverse handgebaren betrekking op hebben. Bedenk dat ook het gebaar: "niet roepen" belangrijk kan zijn, evenals "uit het zicht blijven". Het aanroepen van de hond door een helper binnen de ring vergt niet alleen te veel van de hond en geleider doch getuigt eveneens van onsportiviteit en lijkt te spotten met de aanwezigheid van de ringmeester en de ringcommissarissen die zorg moeten dragen voor het ordentelijk verlopen van de keuring. Daarbij hoort ook de kontrole op het naleven van de sportiviteit.

De beoordeling langs achteren

Na het bekijken van het front begeeft de keurmeester zich naar een positie achter de hond. Het is nu mogelijk dat de keurmeester de hond onderwerpt aan een lichte karaktertest, Hij loopt hierbij op de hond toe, passeert hem en strijkt het dier soms even over de kop. Schrikt de hond hier duidelijk van enlof kruipt angstig achter de baas weg, dan volgt een aanmerking op het karakter. De oorzaak ligt in zijn erfelijke aanleg, doch meestal of overwegend in zijn milieu en dat wordt grotendeels bepaald door de baas. Sportief is de geleider wanneer hij gekonstateerde karakterzwakte zonder tegenspreken of morren accepteert. Volgende keer beter! Een enkele keer ligt de fout bij de geleider zelf: door een beoordelingsfout kan de geleider teveel druk op de hond gezet hebben bij het onder kontrole houden van het dier. Er is niets moeilijker dan het voorbrengen van een angstige hond! In zo'n geval is het raadzamer dat de baas het dier zelf weer in handen neemt. Achter de hond aangekomen bekijkt de keurmeester of de achterpoten in twee evenwijdige vlakken staan enlof de ellebogen juist tegen het lichaam aansluiten. O-benen komen bij een Duitse Herdershond niet zo vaak voor, wel koehakkigheid en eng staan.

Het "eng-staan" achter, waarbij de totale middenvoet te zeer naar het midden staat, vind ik persoonlijk niet zo ernstig als het "koehakkig-staan", waarbij uitsluitend de spronggewrichten naar elkaar wijken. Koehakkigheid duidt meestal op een te scherpe hoeking in de achterhand, onvoldoende gespierdheid door slechte voeding of gebrek aan verantwoorde training dan wel een combinatie van deze faktoren. Overhoeking in de achterhand vergroot niet alleen de instabiliteit van de achterhand doch doet tevens de kans op heupdysplasie toenemen, daar het heupgewricht naar verhouding te zwaar belast wordt. Overtollig lichaamsgewicht vergroot de belasting eveneens.

Het corrigeren van eng-staan en koehakkigheid geschiedt het beste door de hond een stap naar voren te laten doen en vanuit die positie enige lichte correcties aan te brengen. De tijd is echter kort. U moet van tevoren weten wat u zult gaan doen. Menigmaal moet men de ene fout laten zien, om een andere, zwaarder wegende fout te maskeren. Dit verschijnsel kent men ook in de africhting: een puntje laten vallen om er twee te verdienen.

De individuele keuring in beeld

Het stappen en draven bij de standkeuring

Na het afwerken van de periode waarbij de hond stil stond, komt nu het moment van de individuele beoordeling van de hond in beweging. Een uiterst belangrijk moment waar veel van afhangt. Allereerst wordt men verzocht met de hond in een rechte lijn van de keurmeester af te lopen. Gekeken wordt daarbij naar het eventueel uitdraaien der ellebogen en naar onvolmaaktheden in de beweging der achterhand.

Loopt de hond koehakkig, zorg er dan voor dat hij iets strak in de lijn loopt. Sleuren aan de lijn werkt averechts. Het licht trekken vergroot evenwel de kans op het uitdraaien der ellebogen. Een en ander zal tegen elkaar afgewogen moeten worden.

Een ding is zeker: het is verstandig van tevoren goed te weten waar de fouten van de hond zitten, om daarnaar te kunnen handelen. Een hond met neiging tot telgang zal een schommelende rug vertonen. Bij hem let u allereerst op een correcte loopvolgorde. Tijdens het van de keurmeester af gaan probeert men zelf te blijven stappen. Na ongeveer vijftien meter draait men om en gaat dezelfde weg terug. Het uitdraaien der ellebogen wordt opnieuw kritisch bekeken evenals de wijze waarop de hond zijn voorpoten gebruikt.

De geleider passeert met de hond de keurmeester en bevindt zich nu op een stuk waar hij zich prepareren moet om een aantal ronden rondom de keurmeester in draf te gaan. Binnen een afstand van enkele meters dient de hond in het juiste drafritrne gebracht te worden. Ziet men dat de hond goed draaft of gaat draven, dan begint men daadwerkelijk aan de voor de keurmeester van opzij duidelijk zichtbare ronde. De snelheid waarmede dit draven geschiedt bepaalt het welslagen. Het bepalen van het looptempo dient vooraf beproefd te zijn! Ziedaar andermaal het belang van een gedegen voorbereiding.

In het algemeen kan gezegd worden dat het draven bij voorkeur niet te snel dient te geschieden met optimale benutting van de gehele ring: een in een relatief kleine cirkel snel dravende hond gaat "wringen" en toont onvoldoende afzet.

Bij neiging tot telgang tilt men de hond, zonder te stoppen, een kort ogenblik op, waardoor de voorhand in een gunstiger drafpositie "valt" ten opzichte van de achterhand. Bij het aanvangen van de draf valt dit ook te bereiken door, gepaard gaande met een licht rukje omhoog, in een hoog tempo te starten, direkt gevolgd door een vertraging tot het meest geschikte draftempo. Het corrigeren van een hond welke tijdens de draf in telgang gaat, kan soms reeds geschieden door hem even licht opzij te trekken. Ook dan kan het bewegingsritme ten gunste veranderen. Idealer is uiteraard de situatie waarin de hond uit zichzelf goed gaat draven, op grond van zijn juiste bouw en goede training. Bij het corrigeren speelt het aanvoelen van de meest geschikte motoriek een belangrijke rol en kan aldus het resultaat van de keuring beïnvloeden.

Bij honden die op de voorhand vallen, meestal tengevolge van een korte opperarm enlof onvoldoende gespierdheid, "hangt" men de hond vaak op. Dit levert, afgezien van ongemak voor de hond, meer nadeel dan voordeel. Beter is het dan de hond goed strak in de lijn te laten draven. Het strak in de lijn lopen bevordert tevens de afzet achter. Van belang hierbij is de lijn zo laag mogelijk te houden. Een hond die te sterk trekt zakt in de achterhand te diep weg, de krachtsoverbrenging gaat geforceerd en de ruglijn loopt niet horizontaal meer: de hond zal snel vermoeid raken.

Het te hard trekken in de lijn bewerkstelligt tevens het ongewenste "steppen" in de voorhand. Als richtlijn voor de kracht waarmede de hond mag trekken aan de lijn zonder dat dit te veel nadelen gaat opleveren, kan men de situatie beschouwen wanneer met één uitgestoken vinger door het uiteinde van de lijn de hond tegen te houden is.

Ideaal is de situatie waarbij de rug tijdens het draven strak ligt en voor- en achterpoten soepel bewegen.

Gedurende dit draven is het uit zicht blijven van de helpers erg belangrijk. Een korte roep, op de juiste plaats en het juiste tijdstip kan de attentie van de hond wekken en het draven aanschouwelijker maken. Het vóór de hond uitlopen in de ring is afkeurenswaardig om redenen welke reeds eerder genoemd zijn!

De lijn welke de verbinding vormt tussen de hond en de geleider dient tijdens het draven zo stil mogelijk gehouden worden om rukken aan de nek van het beest te voorkomen. Dit vergt enige lichaamsbeheersing van de geleider die moet voorkomen dat zijn eigen lichaamsbewegingen die van de hond beïnvloeden. Vooral moeilijk bij vermoeidheid. Vandaar ook het belang van een goede konditie van de geleider!

Bij nat weer bestaat een grotere kans op het gras uit te glijden. Het beschrijven van een cirkel gaat vooral in het begin gepaard met wat wringen tijdens het lopen, daar men de hond immers niet kan zeggen wat staat te gebeuren. Beheerst draven en aangepast schoeisel nemen veel risico's weg.

Een in het showwerk ervaren hond weet onmiddellijk wat de bedoeling is, zodat men aan hem meer aandacht kan besteden voor wat betreft de presentatie.

P. Nefs