Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Het gebit


Aan het begin van het spijsverteringsstelsel bevindt zich het gebit. Hoofdfunktie van het gebit bij de hond, als overwegend vleeseter of carnivoor, is het grijpen, vasthouden, los- en verscheuren van zijn prooi. Nu zijn er vandaag de dag nog maar weinig honden die zo aan de kost hoeven te komen, haast elke hond krijgt dagelijks zijn voer voorgeschoteld. Toch heeft het hondegebit door de jaren heen zijn carnivore uiterlijk behouden. Sterker, door dit uiterlijk heeft de hond zich in bepaalde gevallen als gebruikshond kunnen manifesteren (jacht- en politiehonden en in de sportafrichting).

Het gebit van de hond is een heterodont gebit, d.w.z. dat er verschillende tandvormen in voorkomen ni. snijtanden, hoektanden en kiezen, in tegenstelling tot bijv. een haai die een homodont gebit heeft: alle tanden zijn gelijk. Verder is het een diphyodont of wisselgebit, net zoals bij alle andere zoogdieren en de mens.

Elk gebitselement heeft een kroon van glazuur. Dit is het hardste lichaamsweefsel en beschermt het onderliggende tandbeen of dentine tegen invloeden van buitenaf, zoals koude, warmte, zoet e.d. en stelt de hond in staat door vlees en botten heen te bijten. De kern van elk element wordt gevormd door de pulpa of tandzenuw. De wortel of radix is bekleed met een laag wortelcement en is d.m.v. fijne, maar zeer sterke vezels in het kaakbot verankerd. Dit geheel van vezels wordt ook het parodontium genoemd en is het steunapparaat van het element. Dit is in staat de soms grote (kauw)krachten op te vangen en over het kaakbot te verdelen. Om u een indruk te geven: De kauwdruk kan in het gebied van de molaren zo'n 3000 kg/cm2 bedragen, terwijl de drukkracht op de hoektanden tijdens het pakwerk ongeveer 500 kg/cm2 beloopt. Ter vergelijking: de maximale kauwkracht bij de mens bedraagt zo'n 50 à 100 kg in de molaarstreek! Elk element staat in de tandkas of alveole. Bij de hond onderscheidt men de incisieven of snijtanden, de cuspidaten of hoek- of vangtanden, en de kiezen, die men verdeelt in de kleinere premolaren en de grotere premolaren. Deze elementen hebben de volgende funkties:

De hond heeft achtentwintig melk-elementen en tweeënveertig blijvende gebitselementen, in de volgende verdeling:

Blijvend gebit van een herderhond van ongeveer 8 maanden oud. De incisieven (1), cuspidaten (C) en P1 in zowel de bovenals de onderkaak hebben een wortel evenals de M3 in de onderkaak; P2 en P3 in de bovenkaak en de P2 t/m P4 en de M1 en M2 in de onderkaak hebben 2 wortels; de P4, M1 en M2 in de bovenkaak hebben drie wortels.

De hond heeft zodoende op relatief jonge leeftijd zijn volledige funktionele gebit (ca. 7 maanden; vergelijk paard: 4 jaar, rund: 2½ - 3 jaar; mens: 12 jaar, verstandskiezen buiten beschouwing gelaten). De opgegeven tijdstippen zijn gemiddelden, individueel bestaan er soms forse afwijkingen. Leeftijdsschatting aan de hand van gebitsslijtage is bij de hond niet mogelijk, wel bij het paard en bij het rund. Aan het gebit van de hond kunnen tal van afwijkingen voorkomen, maar voor de Duitse Herdershond-bezitter en -fokker is de meest relevante en ook wel de meest voorkomende de oligodontie ofwel te weinig gebitselementen. Met name de P1 in boven- en onderkaak en de M3 in de onderkaak willen nogal eens schitteren door afwezigheid, in mindere mate ook een incisief of een P2. Oorzaak hiervan is in de meeste gevallen erfelijk, maar niet altijd. Ook kan oligodontie optreden door infekties in de vroege levensweken of door een trauma. Een gebitselement van een hond heeft echter een dusdanig sterk ontwikkeld parodontium, dat het verlies van een tand en zeker een kies haast onmogelijk is. Treedt dit om wat voor reden toch op, laat dan ogenblikkelijk een duidelijke röntgenfoto maken waarop het gebied van de verlorengegane tand te zien is en dit uiterlijk vier weken na verlies van het element! De lege alveole is dan nog goed te herkennen, na vier weken is deze geheel door bot opgevuld en is de uiteindelijke tandeloze kaakvorm ter plaatse gevormd. Dit is erg belangrijk wil men hiervoor een officieel attest verkrijgen. Laat ook op de röntgenfoto duidelijk de naam van de hond, het NHSB- en tatouagenummer vermelden, dit om latere misverstanden en teleurstellingen te vermijden. Ook bij afwezigheid van gebitselementen geldt, net zoals bij heupdysplasie: men kent geen voordeel, maar alleen nadeel van de twijfel! Om deze problemen in ieder geval zoveel mogelijk te vermijden, volgen hier enkele tips:

Een Duitse Herdershond heeft normaal een schaargebit. Dit houdt in dat de onderincisieven de achterkant van de bovenincisieven raken, de hoektand van de onderkaak valt tussen de I3 en C in de bovenkaak en de P4 in de bovenkaak schaart langs de M1 in de onderkaak. Afwijkingen hierop zijn doorgaans erfelijk maar ook een trauma bij de geboorte of een ongeluk kan hieraan ten grondslag liggen. Men onderscheidt een drietal afwijkingen. Allereerst het tanggebit. Hierbij staan de incisieven op elkaar en niet zoals bij een schaargebit over elkaar. Het rare is dat de wolf, die toch algemeen beschouwd wordt als de stamvader van onze hond zelf wel een tanggebit heeft!

Een andere afwijking is het ondervóórbijten. Hierbij is de onderkaak langer dan de bovenkaak. Het echte ondervóórbijten ziet men zelden, dit is wanneer alle elementen in de onderkaak een halve of hele tandbreedte naar voren zijn geplaatst. Meestal is de molaarrelatie normaal, maar staan de incisieven en vaak ook de premolaren naar voren, in de onderkaak.

Bij Duitse Herdershonden ziet men het ondervóórbijten maar zeer zelden. Bij andere rassen zoals de Bulldog is het gewenst volgens de rasstandaard. Een probleem bij deze afwijking is dat de boven incisieven vaak in de mondbodem van de onderkaak "prikken", hetgeen tot pijnlijke drukplaatsen kan leiden.

De derde afwijking, en die ziet men wel eens vaker bij de Duitse Herdershond, is het zogenaamde bovenvóórbijten of populair gezegd, het overbijten. Hierbij is de onderkaak korter dan de bovenkaak. Vaak te zien bij honden met een lange, vrij spitse snuit, zoals de Dwergteckel, de Collie en het Italiaanse Windhondje. Bij deze afwijking raken de boven- en onderincisieven elkaar niet, maar zit er ruimte tussen, variërend van luttele millimeters tot heuse centimeters. De cuspidaten in de bovenkaak staan ook naar voren en vaak staan de ondercuspidaten hierbij naar binnen waardoor de punten hiervan in het gehemelte prikken. Dit kan erg pijnlijk voor de hond zijn. Dit is relatief makkelijk met een eenvoudige "beugel" te verhelpen.

Maarten ter Meulen, tandarts