Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - De vachtkleur


Met betrekking tot de kleur is het volgende in de raspunten van de Duitse Herdershond te lezen: "Zwart, ijzergrauw, asgrauw, hetzij éénkleurig of met regelmatige bruine, gele tot lichtgrijze aftekening, ook met zwart dek, donker gewolkt (zwart vleugje op grauwe of lichtbruine achtergrond met bijpassende lichte aftekening) de zogenaamde wolfskleur, de oerkleur van de wilde hond. Kleine, witte aftekening aan de borst is toegestaan. Het onderhaar, de onderwol, is - behalve bij zwarte honden - altijd licht gekleurd. De definitieve kleur van de jongen is pas na het doorbreken van het dekhaar vast te stellen".

Bekijken we de ontwikkelingsgang van de Duitse Herdershond als ras, dan valt vast te stellen dat reeds in de periode 1925 - 1935 er sprake was van pigmentsverlies. Met name de lichtgekleurde Nores v.d. Kriminalpolizei had hierin een groot aandeel. Het kwam zelfs herhaaldelijk voor dat in kombinatie met bepaalde teven deze Nores witte nakomelingen voortbracht. De witte kleur wordt bij de Duitse Herdershond als foutief omschreven. Vandaar dat men Nores, mede op grond van andere ongewenste eigenschappen, bij zijn kinderen uiteindelijk een fokverbod oplegde. Om in het pigmentsverlies verbetering te brengen gebruikte men toen bij voorkeur wolfsgrauwe honden.

Klodo v. Boxberg, Sieger 1925 van Duitsland, een prachtig gebouwde, middelgrote reu met de zo gewenste wolfsgrauwe kleur werd de slamvader van vele goede honden met voldoende pigment. Teneinde pigmentverbeteringen te bewerkstelligen, naast andere redenen, werd veelvuldig op Klodo Boxberg ingeteeld.

Toen na de Tweede wereldoorlog het Rolf v. Osnabrückerland- en Hein v. Richterbach-bloed, wat nog ruimschoots pigment bevatte, zich mengde met Axel v. Deininghauserheide- en Alf v. Nordfelsen-bloed, leverde dit veelal honden op met een bepaalde mate van pigmentsverlies: lichte aftekeningen aan poten, lichte nagels, lichte ogen, verbleking van het geel en rode staartpunten. Het gevaar bestond dat de fokkerij een herhaling mee zou maken van een periode met pigmentsverlies zoals in het eerste gedeelte van deze eeuw.

De reu Claudius Hain had op het pigment ook geen beste invloed. Er zijn van hem trouwens ook kinderen bekend met de zeldzame bruine grondkleur, kenbaar aan de bruinachtige tot rose neus en de roodgetinte ogen. Normaal heeft elke Duitse Herder en overigens de meeste rassen een zwarte grondkleur. In 1967 waren er op de Winner in Amsterdam nog twee Duitse Herders met deze overigens verwerpeiijke bruine grondkleur.

Gelukkig wordt tegenwoordig door velen gewezen op het belang van een goed pigment. Wolfsgrauwe honden, mits donkergewolkt en met zwarte nagels en uitgesproken masker, kunnen een belangrijke rol spelen om een pigmentsterke stam op te bouwen. Bij verwaarlozing van het pigment zou na enkele generaties zelfs albinisme op kunnen treden, waarbij inteelt een versnellende werking kan hebben.

Het is jammer dat er zo weinig wolfsgrauwe honden tot de top weten door te dringen. Twee bekende grauwe honden uit de laatste jaren zijn Nico v. Haus Beck en de nog donkerder reu Arno v.d. Erlenbrunnen. Beiden hebben zich echter niet tot de absolute top-verervers ontwikkeld. Voor de ontwikkeling van een pigmentrijke stam kunnen ook van groot belang zijn de zwart-bruine honden die onder hun directe voorouders een wolfsgrauwe hond hebben.

Het is echter niet zo dat zwart-bruine of zwart-gele honden nakomelingen kunnen verwekken met de wolfsgrauwe kleur zonder dat de fokpartner wolfsgrauw is. Soms lijken zwart-gele pups wolfsgrauw te worden, doch dit is slechts schijn.

De kleur zwart is recessief ten opzichte van zwart-geel (bruin). Zwart gecombineerd met zwart levert uitsluitend zwarte honden op. Wolfsgrauw domineert over zwart-geel, zodat we het volgende kunnen opstellen:

Wolfsgrauw > zwart-geel > zwart > = dominant (over)

We hebben hier te maken met multipele allelen. Alle drie kleurvariëteiten kunnen op dezelfde locus liggen, doch slechts twee tegelijk wanneer de hond fokonzuiver (heterozygoot) en slechts één tegelijk wanneer de hond fokzuiver (homozygoot) is. Ingeval van heterozygotie is slechts die kleur zichtbaar die domineert over de andere. Daar er echter verschillende nuances in bovenstaande kleuren zijn aan te duiden, zijn ook andere genen van invloed op de kleur, evenals het milieu.

Voorbeelden van kleurvererving bij de Duitse Herdershond

G = wolfsgrauw
g = zwart-geel (bruin)
g' = zwart

g'g' maal g'g' geeft g'g', g'g', g'g', g'g', dus 100% zwart.
gg' maal gg' geeft gg, gg', g'g', g'g', dus 75% zwart-geel en 25% zwart.
gg' maal g'g' geeft gg', gg', g'g', g'g', dus 50% zwart-geel en 50% zwart.
gg maal g'g' geeft gg', gg', gg', gg', dus 100% zwart-geel.
gg maal g'g geeft gg', gg, gg', gg, dus 50% zwart-geel en 50% zwart.
gg maal gg geeft gg, gg, gg, gg, dus 100% zwart-geel.

Dit zijn de mogelijkheden voor honden die géén wolfsgrauwe faktor bezitten.

Hieronder volgen de mogelijkheden met de faktor voor wolfsgrauw aanwezig:
GG maal .. geeft G., G., G., G., dus 100% wolfsgrauw.
Gg maal Gg geeft GG, Gg, gG, gg, dus 75% wolfsgrauw en 25% zwart-geel.
Gg maal gg geeft Gg, Gg, gg, gg, dus 50% wolfsgrauw en 50% zwart-geel.
Gg maal Gg' geeft GG, Gg', gG, gg', dus 75% wolfsgrauw en 25% zwart-geel.
Gg maal g'g' geeft Gg', Gg', gg', gg', dus 50% wolfsgrauw en 50% zwart-geel.
Gg' maal Gg geeft GG, Gg, g'G, g'g, dus 75% wolfsgrauw en 25% zwart-geel.
Gg' maal gg geeft Gg, Gg, g'g, g'g, dus 50% wolfsgrauw en 50% zwart-geel.
Gg' maal Gg' geeft GG, Gg', g'G, g'g', dus 75% wolfsgrauw en 25% zwart.
Gg' maal g'g' geeft Gg', Gg', g'g', g'g', dus 50% wolfsgrauw en 50% zwart.
Gg' maal gg' geeft Gg, Gg' g'g' g'g', dus 50% wolfsgrauw, 25% zwart-geel en 25% zwart.

(Het gebruik van de letter G is louter illustratief en komt niet overeen met de internationaal gebruikte letters om kleurloci aan te duiden).

Duidelijk blijkt hieruit de invloed van het wolfsgrauw, dat het gen voor deze kleur dominant is over zwart-geel én over zwart. De kleurnuances berusten op een wisselwerking tussen de verschillende kleurgenen en de invloed van modifiers en milieufactoren, het feit dat we bij de Duitse Herdershonden exemplaren aantreffen met de zo mooie roestbruine aftekening, vindt hierin dan ook zijn verklaring. Genetisch bezien bezit de hond met de roestbruine aftekening dezelfde factor die verantwoordelijk is voor het feit dat hij een dek heeft met aftekeningen als de hond met de lichtere aftekening, doch modifiers oefenen een andere invloed uit. Omdat de aanwezigheid van modifiers verloopt volgens de regels der erfelijkheid moet de fokker streven zo veel mogelijk te fokken met donkere honden. De zogenaamde "wildstreep" over de rug behoeft geen aanduiding te zijn voor pigmentverlies doch wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van bepaalde genen die dit kenmerk veroorzaken.

Bij de bespreking van de multipele allelenreeks wolfsgrauw - zwartlgeel - zwart stond de aanduiding zwart in feite voor het bi-colour-gen. Onder bi-colour (ook wel black-and-tan) wordt verstaan: zeer uitgebreid zwart met slechts aftekening aan borst, wenkbrauwen, voeten en het onderste gedeelte der poten. De geheel zwarte Duitse Herder is een bi-colour die onder invloed staat van een gen uit de zgn. E.-reeks.

Ter verduidelijking van het een en ander onderstaand schema waarin vermeld staat welke genen voorkomen op de verschillende kleurloci bij de Duitse Herdershond. De dominantie verloopt van boven naar beneden.

Opm. 1: Op het gen ay zijn modifiers van invloed evenals andere genen van de A- of agouti-reeks.
Opm. 2: De witte kleur komt, hoewel niet gewenst, toch voor. Er zijn fokkers die zich erop toeleggen deze kleur te fokken. Daar wit recessief is t.o.v. kleur valt dit natuurlijk niet al te moeilijk, indien men het zuiver foktechnisch bekijkt. Overigens hebben deze witte honden zwarte neuzen, donkere ogen en rose neuzen. Albino's zijn nog minder gewenst dan de witte dieren. Honden die regelmatig witte of albino nakomelingen voortbrengen kunnen beter niet meer voor de fokkerij gebruikt worden. De meeste witte honden hebben echter toch een zweem van geel in hun vacht, hetgeen genetisch zeggen wil dat ze niet allel CdCd,bezitten doch CchCch of CchCd.
Opm. 3: De dd-factor houdt geen degeneratie in, uitsluitend kleurverandering, dit in tegenstelling met bb, de factor voor de bruine grondkleur, die tevens verminderde levensvatbaarheid inhoudt in de meeste gevallen. De zgn. "Bläulinge" bezitten de factor dd. De mening dat pigmentsverlies altijd gepaard zal gaan met degeneratieverschijnselen zoals doofheid, gevoelheid voor ziektes etc. blijkt voor het grootste gedeelte onjuist.
Opm 4: De Int-reeks heeft geen volledige dominantie, vandaar hier apart vermeld:
Int aftekening wordt verdund tot vuil wit.
intm aftekening wordt verdund tot licht-geel.
int geen verdunning.
Vanwege de incomplete dominantie kennen we zes verschillende verdunnings-factoren in de Int-reeks.

P. M. J. Nefs