Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Skeletafwijkingen door verkeerde voeding


Als gevoig van overvoeding en verkeerde voeding komen skelet afwijkingen veelvuldig voor. Daarbij valt het op dat juist de zeer grote rassen het meest met dergelijke afwijkingen behept worden.

Men kan de skeletafwijkingen in twee groepen verdelen: Er zijn skeletafwijkingen die, of door storingen in de mineralenstofwisseling, of door overbelasting van het skelet ontstaan.

Beide groepen van afwijkingen ontstaan in hoofdzaak bij de grote rassen, zoals de Duitse Dog St. Bernard, Foundlander, Leonberger Mastiff, Berner Sennehond, enz. maar ook middelgrote rassen, zoals de Herdershondenrassen, kunnen met deze afwijkingen geconfronteerd worden. Dit is toe te schrijven aan het feit, dat bij deze rassen de botten sneller groeien dan bij de kleinere rassen.

Het snelgroeiende skelet, reageert daardoor aanmerkelijk meer op de voeding, dan de langzaam groeiende. Op de voorgrond staat hier, de mineraalstofwisseling die wordt verstoord door de verkeerde voeding.

Groeistoringen van het skelet door overbelasting

De schade aan het skelet als gevoig van overbelasting treedt reeds op in het begin van de groeiperiode, dus vanaf de 6de week. De fokkers proberen hun pups in optimale conditie te brengen zodat ze bij de aflevering groot zijn en een behoorlijk gewicht hebben. Het forceren van deze maximale ontwikkeling heeft gevolgen, ook op latere leeftijd.

De oorzaak vindt men in de voeding, een eiwitrijk voedsel, met een vrij hoog energiegehalte, brengt de pup wel op grootte en gewicht, maar men moet op de koop toe nemen dat afwijkingen kunnen ontstaan, die niet meer te herstellen zijn. Om het ontstaan van de groeistoringen te kunnen verklaren, is het noodzakelijk wat dieper in te gaan op de functie van het skelet. Het skelet is een steunorgaan. In de groeifase tot aan de uiteindelijke grootte heeft het bepaalde structuurkenmerken.

Bij voorbeeld de pijpbeenderen: tussen de boteinden van een pijpbeen, de epifyse en de schaft een schijf uit kraakbeencellen. Deze schijf noemt men de groeischijf en is de drager van de groei in de lengte van het bot. In deze groeischijf groeien de kraakbeencellen, daardoor verlengt het bot. Dit stadium wordt ook wel de groeistructuur genoemd. Met de toenemende grootte wordt deze groeistructuur vermeerderd met de ontwikkeling van de musculatuur en met de toename van het lichaamsgewicht belast. Daarmee harmoniseert de aanpassing van het bot aan de verhoogde belasting, gericht op de statische belasting, die de ontwikkeling van de musculatuur, het oplopende lichaamsgewicht, kan opvangen.

Wat gebeurt er nu als de groeisnelheid wordt geforceerd door eiwit en energierijk voedsel? De geforceerde groeisnelheid betreft de musculatuur en het lichaamsgewicht. De structuur van het skelet wordt niet beinvloed, men krijgt dus geen draagkrachtiger structuur. Het gevoig is dan, dat het skelet wordt overbelast omdat de groei daarvan geen gelijke tred heeft gehouden met de vereiste aanpassing aan het lichaamsgewicht. Uit deze overbelasting ontstaan dan skelet veranderingen.

Grote veranderingen zijn eerst merkbaar aan het kraakbeenweefsel, in de vorm van onregelmatige groei in de lengte van het bot. Het resultaat is dan, de pijpbeenderen groeien niet meer recht, maar als het ware gebogen. De gevolgen hiervan zijn verkeerd plaatsen van de benen. In het bijzonder bij doggen ziet men dan koehakkigheid en/of o-benen.

Afgezien van deze afwijkingen, die voor de hond niet erg prettig zijn, gaat de hond een gemakkelijke houding aannemen om het gewicht te verdelen, trekt de benen onder het lichaam waardoor ook de rug krom gaat staan. Zo ontstaan de eerste tekenen van een karperrug.

Veelvuldig wordt aangenomen dat dit schoonheidsfoutjes zijn, niets is minder waar. Uit deze houding ontstaan meer afwijkingen, zoals ongelijkmatige belasting van het bot (de benen) De belasting geschiedt niet meer loodrecht en daardoor wordt het van kwaad tot erger. Wordt niet direct ingegrepen, dan ontstaan gedeformeerde botten, de botten groeien steeds `krommer' en de hond krijgt ernstige moeilijkheden aan het gangwerk.

De gewrichten zijn voor normale belasting geschikt. Is de belasting verkeerd, dus scheef, dan ontstaan nog andere ernstige afwijkingen zoals, b.v. afschilfering van het botkraakbeen en gewrichtsafwijkingen. Veranderingen van het gewrichtskraakbeen ontwikkelen ook veranderingen aan de gewrichtskapsels waardoor ernstige pijn kan ontstaan.

Deze door foutieve belasting ontstane afwijkingen en gewrichtsveranderingen, komen niet alleen voor bij de opgroeiende honden, maar ook als ongeneeslijke ziekte en functiestoringen, bij volwassen honden, de ziekte verergert steeds.

Bij de grote hondenrassen treden zulke gewrichtsveranderingen - die ongeveer als artrose bij de mens vergelijkbaar zijn - pas in een laat stadium op, sours wel bij honden van 6 jaar en ouder. Vooral tijdens de beweging en wandelingen. De gewrichten worden stijf, omdat het tot bindweefselgroei bij het gewrichtskapsel komt.

Ook de rugwervelzuil wordt in dit ziekte proces betrokken en kan aanleiding zijn tot verdere moeilijkheden.

Bij de overvoede grote honden wordt dit spondylose genoemd. De wervels zijn door middel van een band met elkaar verbonden. Wanneer door de sterke bespiering bij versnelde groei een verhoogd gewicht op de wervelzuil komt, rekt de band op die plaats. De band wordt versterkt en er ontstaat ter compensatie botweefsel. Er ontstaan als het ware botbruggen tussen de wervels, zodat de wervelzuil verstijft en praktisch onbeweeglijk wordt.

Behalve gewrichtsveranderingen, kunnen ook nog bloedsomloopstoringen ontstaan in de pijpbeenderen. De pijpbeenderen moeten verzorgd worden met bloed, hetwelk door de aders moet kunnen afvloeien. In het bot zijn kanaaltjes die bij kromgegroeid bot vernauwen, door de gestoorde afvloeiing van het bloed kunnen bloedstuwingen ontstaan. Deze stuwingen kenmerken zich als oedeem van het beenmerg met ontstaan van botweefsel, dat tot volledige opvulling van het mergkanaal van de pijpbeenderen, met een snort bimssteen-(schuimsteen) achtigbotweefsel kan leiden. In feite wordt een ontsteking gezien (eosinofiele panostitis) maar het is er in werkelijkheid geen.

Generaliseert men de ziekten welke veroorzaakt worden door groeistoringen, dan ontstaat daardoor een complex van oorzaken; we spreken van een factorenziekte, omdat we de genetische factor van de snelgrootgroeiende rassen en de voedingsfactor met de calorische overvloedige en eiwitrijke voeding, die tot te snelle groei leiden, maar niet tot de ontwikkeling van draagkrachtigere structuren van het skelet. Daaruit ontstaan schaden door overbelasting van het skelet en de omschreven gezondheid van de dieren.

Storingen door de mineralenstofwisseling

De tweede groep van skeletziekten berust op de mineralenstofwisseling. Het skelet bezit, behalve zijn functie als steunorgaan, nog een tweede opgave. Dat is het functioneren van depotorgaan voor kalk. Deze kalkopslag heeft verschillende opgaven met uiteenlopende taken. In het skelet is eerst de mobiele kalk opslag, die noodzakelijk is om de reactie van de lichaamsvloeistof op peil te houden. De tweede vorm is het gefixeerde kalk, dat als mineraalzout de hoofd massa van het botweefsel vormt. Dit zogenaamde gefixeerde calcium (kalk) wordt altijd pas dan in het skelet tot dekking van de behoefte benut, als niet voldoende kalk uit de darm opgenomen kan worden, zonder dat het organisme voor het dekken van de behoefte, op het kalk depot aangewezen is kalk. Het skelet is verder steunorgaan. Indien kalk uit het skelet voor dekking van de behoefte aan kalk ontnomen wordt, is dat slechts mogelijk indien ook botweefsel onttrokken wordt. Daardoor neemt de voorraad botweefsel af, waardoor ook de steunfunctie van het skelet aanzienlijk wordt verzwakt. Omdat nu niet bij elke voorbijgaande dekking van de kalkbehoefte, deze kalkvoorraad aangesproken moet worden, wordt het bot zelf van een voorraad kalk voorzien, zodat het niet steeds ontnomen wordt uit het steunweefsel. Deze voorraad is het metabolisch botweefsel, het bezit geen steunfunctie maar is uitsluitend als depotfunctie aanwezig.

Botweefsel bezit geen steunfunctie maar is uitsluitend als depotfunctie aanwezig.

De afbouw van het metabolische botweefsel, vindt regelmatig plaats, maar wordt steeds weer aangevuld door nieuw weefsel. Aileen als een langere tijd de kalkbehoefte wordt ontnomen uit deze voorraad voor het skelet, dan kan het gebeuren dat de voorraad metabolisch botweefsel onvoldoende is. Dan wordt de kalk uit het botweefsel aangesproken waardoor verminderde stevigheid van het bot ontstaat, dat dan weer onder te hoge belasting door het lichaamsgewicht kan vervormen en/of breken.

Dit laatste kan bijvoorbeeld gebeuren als het dier van een kleine hoogte afspringt of opspringt, voor zover deze dieren nog kunnen springen. Zelfs binnen het bereik van de wervelzuil kan het tot fracturen van de wervels leiden. Ze worden samengedrukt, in het wervelkanaal drukt het ruggemerg samen en dan ontstaan verlammingen. Zulke dieren zijn ongeneeslijk ziek. Deze vorm van ziekte is bekend onder de naam Osteodystrophia fibrosa generalisata.

De afbouw van kalk, die boven de reserve aan kalk in het metabolische botweefsel uit gaat, treedt pas dan op als het dier te weinig kalk of een te hoog fosfor-gehalte uit het voer krijgt. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen, indien de hond met rood vlees wordt gevoerd. De verhouding kalk tot fosfor is in rood vlees niet juist. Ingewanden daarentegen, bevatten wel wat meer kalk dan rood vlees, maar ook hier is de verhouding niet goed. De kalkverhouding tot fosfor dient ongeveer 1,3 tot 1,5 : 0,9 te zijn. Uitgaande van een goede soort kalk die voor de hond opneembaar is. Een jonge hond van een groot ras, heeft tijdens de groei minstens circa 400 mg. per kilo lichaamsgewicht nodig aan kalk.

Voor de rekenaars onder U

LG0,73 x 251,5 x 4 = .... mg per dag.
Voorbeeld: een opgroeiende hond van 30 kg. (LG is lichaamsgewicht).
300,73 = 11,98 x 251,5 x 4 = 12.047 mg : 30 = 402 mg/dag per kilogram lichaamsgewicht (benodigde kalk).

Bevat een (goed merk) droogvoer 1,3 % kalk en heeft het een energiewaarde van 3600 Kcal (15070 KJ) dan ontstaat bij een hond van 30 kg gewicht: LG0,73 = 11,98 x 70,4 x 4 + 3375 Kcal/dag, dat betekent een voeropname van: 937 gram : 100 x 1,3% = 12132 mg. per dag.

Een dergelijk voer is dus bij 1,3% kalk en 3600 Kcal, voldoende ook tijdens de groei van een snel groeiende hond.

Nadeel: De jonge hond eet veel (grotere kans op maagtorsie) en heeft veel ontlasting.

De hiervoor omschreven skeletveranderingen bij de opgroeiende hond zijn het gevolg van verkeerde en/of overvoeding. De ontstane skeletziekten zijn het gevolg van voedingsfouten die ook voor de mens gelden. Het optimaal voeden van de honden vereist een zekere kennis van de voedingsleer, waarbij tevens een rijke ervaring met de betreffende voeders. De gemakkelijkste wijze van voeding is uiteraard het verstrekken van volledig droogvoer of diner.

Of het karakter van de hond op den duur verandert weet men nog niet zeker, in elk geval zou men vooral bij de werkhonden, minstens eenmaal per week een goed merk droogvoer moeten verstrekken waarmee de hond de eventueel ontbrekende enzymen enz. kan aanvullen.

Bij een goed merk droogvoer of diner - dus waarin goede grondstoffen - kan het geven van eenmaal per week geen diarree veroorzaken. De voor de hond natuurlijke producten, kan men zonder bezwaar uitwisselen. Krijgt Uw hond wel diarree, verander dan van merk droogvoer of diner.

Koop volledig vleesvoeder uitsluitend bij de bekende fabrieken en niet bij de knoeiers.

Ir. N. Dhont