Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Uw hond onder narcose


In de gemiddelde gezelschapsdierenartsenpraktijk is het onder anesthesie brengen van patiënten aan de orde van de dag. Bijna routinematig worden onze trouwe viervoeters "onder zeil" gebracht of krijgen ze "even een roesje". Het grootste gevaar van anesthesie is echter dat het routinewerk wordt. Elke keer weer eist het de grootst mogelijke oplettendheid van uw dierenarts... en van u.

In de medische wereld wordt niet meer gesproken over narcose, maar over anesthesie. Met anesthesie bedoelen we de situatie waarbij een mens of een dier buiten bewustzijn is gebracht en niet meer reageert op pijnprikkels van buitenaf. Om operaties te vergemakkelijken, wordt meestal ook gezorgd voor een toestand van spierverslapping. Er zijn verschillende redenen om een huisdier onder anesthesie te brengen. De meest voor de hand liggende reden is, wanneer de patient geopereerd moet worden (van een eenvoudige castratie tot de meest ingewikkelde orthopedische ingreep). Maar er zijn nog meer redenen. Het maken van een goede rontgen-foto voor een heupdysplasie-onderzoek lijkt eigenlijk alleen mogelijk als de hond onder anesthesie is. En wat dacht u van het verkeersslachtoffer dat zoveel pijn heeft dat het zich door niets of niemand laat onderzoeken. Redenen genoeg dus om eens wat dieper in te gaan op de wereld die de anesthesiologie heet. Wanneer we een oppervlakkige operatie uit moeten voeren, zoals bijvoorbeeld het insnijden van een abces, kunnen we gebruik maken van een lokale anesthesie. Hierbij wordt een verdovende stof, een lokaal anestheticum, in de omgeving van het te opereren gebied ingespoten, of beter gezegd, geInfiltreerd. Men spreekt dan ook wel van een infiltratie-anesthesie. De stof die hiervoor het meest wordt gebruikt is lidocaine (- xylocaIne). LidocaIne kan ook met een verstuiver op slijmvliezen, van bijvoorbeeld de mond, worden gesprayd of in kleine wondjes die moeten worden gehecht.

Op zich is de lokale anesthesie een heel goede methode die veel minder risico met zich meebrengt dan de algehele anesthesie. Het is alleen jammer dat onze honden niet zo goed stil blijven liggen als er een dierenarts aan ze staat te friemelen. Anders zouden we, zoals dat bij koeien (en bij mensen) gebeurt, bijvoorbeeld een keizersnede kunnen doen met alleen een lokale verdoving.

Een tweede mogelijkheid is de zogeheten regionale anesthesie. In wezen is dit ook een lokale anesthesie, alleen berust hij op een ander principe. Bij de regionale anesthesie worden met kleine hoeveelheden lokaal anestheticum zenuwbanen geblokkeerd zodat er geen prikkels meer kunnen passeren. Hierdoor wordt het hele gebied dat door zenuw wordt "bestuurd", gevoelloos. Het is een methode die bij de gezelschapsdieren weinig gebruikt wordt. Een nieuwe vinding is de intra-veneuze lokaal anesthesie. Deze methode kan alleen aan de ondervoeten worden gebruikt. Middels een strakke rubberen band wordt de ondervoet afgebonden, waardoor bloedleegheid ontstaat (heel handig bij operaties). In een afgebonden bloedvat wordt nu een lokaal anestheticum gespoten dat vervolgens door het afgebonden gebied moet verspreiden; het kan dus niet in de rest van het lichaam terechtkomen. Als om de twee uur de bloedtoevoer aan kwartier wordt hersteld, kunnen zo langdurige operaties verantwoord worden uitgevoerd. Omdat de anestheticum in het weefsel is getrokken, wordt de verdoving niet minder door de herstelde bloedcirculatie. Zoals eerder gesteld, is het jammer dat Fifi en Nero en alle andere honden niet stil blijven liggen als er aan ze gesleuteld wordt. De oplossing voor dit probleem is gevonden in de vorm van de algehele anesthesie, de narcose. Tussen de lokale en de algehele anesthesie bestaat echter nog een middenweg. Neem weer even het verkeersslachtoffer. De enige manier waarop een dierenarts tijdens zijn onderzoek kan weten of iets wel of niet pijnlijk is, is als de hond hem dit laat weten. Honden hebben echter de nare gewoonte dit te doen door hun vlijmscherpe gebit in de richting van de witte doktersjas te sturen. Behalve een geanestheseerde hond, want die voelt niets. De dierenarts moet dus een compromis gaan sluiten; aan de ene kant een hond die wel zo wakker is, dat hij reageert op het klinisch onderzoek. Ziehier het dilemma. De oplossing is eigenlijk simpel. We brengen de patient niet volledig buiten bewustzijn, maar we versuffen hem meer of minder ver. Dit versuffen noemt de dierenarts sederen. Voor de liefhebbers: acepromazine, xylazine en medetomidine zijn veel gebruikte sedative.

Terug naar de algehele anesthesie. Er zijn wee manieren om een dier onder algehele anesthesie te brengen en te houden. De eerste is de injectie-anesthesie waarbij anesthetica met een injectiespuit in spierweefsel (Ketamine) of rechtstreeks in de bloedbaan (Thiopenthal) worden gebracht. De tweede methode is de gasanesthesie, waarbij verdovende gassen (halothaan, enfluraan, isofluraan, lachgas, ether, enz.) via een masker of een buis in de luchtpijp (een "tube") door de patient worden ingeademd en net als zuurstof, via de longen in het bloed terecht komen.

In beide gevallen kent het verloop van de anesthesie een viertal fasen: de premedicatie (voorbehandeling), de inleiding (het moment waarop de eigenlijke anesthesie wordt ingezet), het onderhoud en de recovery (het ontwaken uit de anesthesie).

De premedicatie

Wanneer we een volledig bij bewustzijn verkerend dier zouden inspuiten met anestheticum of wanneer we het een masker op zijn neus zouden plaatsen, zal een en ander in de meeste gevallen niet soepel verlopen, omdat de controle over de spieren eerder verdwijnt dan het bewustzijn. Het dier voelt zichzelf in elkaar zakken en raakt in paniek. Bovendien hebben we op deze manier een grote kans op zeer heftige, ongecontroleerde bewegingen na het bewustzijnsverlies. De anesthesioloog noemt dit excitatie. Excitatie is een uiterst ongewenst verschijnsel. Voor patiënten met grote verwondingen en botbreuken spreekt voor zich. Maar ook bij "gezonde" patienten (castraties, sterilisaties e.d.) kan excitatie problennen geven; de reacties kunnen zo heftig zijn dat zij zichzelf verwonden. Daar komt nog eens bij dat hetzelfde proces wat zich voor de inleiding van de anesthesie afspeelt, zich tijdens de recovery kan herhalen. U begrijpt dat dit nog grotere risico's met zich meebrengt zoals bloedingen van afgebonden bloedvaten en van de operatiewond.

Om deze ellende te voorkomen wordt voorafgaand aan de inleiding een premedicatie gegeven. Dit is een injectie die meestal bestaat uit een sedativum/slaapmiddel en een spierverslapper. Door een premedicatie wordt excitatie tijdens de inleiding voorkomen en omdat deze injectie meestal langer werkt dan de anesthetica, ook tijdens de recovery. Enige tijd na de premedicatie-injectie slapen de dieren meestal, maar reageren ze nog wel op pijnprikkels, tenzij ook een pijnstiller is toegediend. Hoewel ze volledig "van de wereld" lijken, zijn de dieren niet geschikt om operaties op uit te voeren.

De inleiding

Zoals eerder gezegd, heeft de dierenarts bij de inleiding van de algehele anesthesie de keuze uit twee methoden: injectieanesthesie en gas-anesthesie. Beide hebben hun eigen voor- en nadelen. De injectie-anesthesie is goedkoper en vereist geen specialistische apparatuur, maar het is ook een methode waarbij de diepte van de anesthesie niet goed regelbaar is. Voor de gas-anesthesie zijn relatief dure anesthetica nodig die met nog duurdere apparatuur moeten worden toegediend, maar daar staat wel tegenover dat de anesthesie-diepte nauwkeurig kan worden bijgestuurd.

Bij de injectie-anesthesie kunnen we dus anesthetica in een spier spuiten (intramusculair, i.m.) of rechtstreeks in het bloed (intreveneus, i.v.). Wanneer we een middel in een spier spuiten wordt het geleidelijk in het bloed opgenomen. Het gevaar van overdosering is hierdoor wat kleiner dan wanneer we rechtstreeks in de bloedbaan spuiten; de inleiding komt echter ook wat langzamer tot stand. In de praktijk wordt bij de intra-musculaire anesthesie over het algemeen geen onderscheid gemaakt tussen premedicatie en inleiding, maar worden beiden tegelijk in een injectie gegeven.

Bij de gas-inductie gaat men anders te werk. Zodra het dier voldoende gecedeerd is, krijgt het een maskertje op. Hierdoor zal de patient nu een mengsel van zuurstof/perslucht en het anesthesie-gas inademen. Via de longen komt het gas in het bloed terecht. Daar stijgt de concentratie en de anesthesie zal intreden.

Deze methode wordt in de praktijk niet zo vaak gebruikt. De belangrijkste reden hiervoor is dat het heel moeilijk is om voor iedere patient een goed passend masker te maken, waardoor dus meestal lekkage van gas optreedt. Daarom wordt de anesthesie meestal per injectie ingeleid, waarna men overschakelt op gas-anesthesie. Voor de injectie wordt dan een kort werkend anestheticum gekozen. Zodra de patient voldoende onder anesthesie is, wordt hij "gentubeerd": hij krijgt een flexibele buis (een tube) in zijn luchtpijp geschoven die aan het voorste stuk een soort ballonnetje heeft (een cuff) dat kan worden opgeblazen, zodat er geen lucht meer kan ontsnappen tussen de tube en de luchtpijp door. De tube wordt aangesloten op het anesthesie-apparaat en het verloop van de anesthesie kan nauwkeurig worden geregeld.

Het onderhoud

Zodra een vreemde stof wordt ingespoten, begint het lichaam onmiddellijk met het verwijderen van die stof. Dat kan op verschillende manieren. Een van de belangrijkste is de afbraak of ombouw van die stof in de lever. Dit gebeurt ook met de meeste anesthetica. Wanneer we dus met een anesthesie beginnen, zal de patient onmiddellijk de concentratie van het anestheticum gaan verlagen. Het onvermijdelijke gevolg is dat de anesthesie geleidelijk aan (maar soms behoorlijk snel) minder diep zal worden. Dat is niet de bedoeling en daar moet dus wat aan gedaan worden.

Bij de injectie-anesthesie kan de dierenarts een keuze maken uit meerdere stoffen met elk een andere werkingsduur, maar als een ingreep langer dan een uur gaat duren moet hij "bijdoseren"; hij moet een nieuwe dosis anestheticum inspuiten. Fijnregulatie is hierbij niet goed mogelijk. Die nauwkeurige regulatie is wel mogelijk met de gas-apparatuur. Door de gastoevoer goed in te stellen kan de aanvoer van anestheticum in principe exact worden afgestemd op de afbraak in het lichaann van de patient. Sterker nog, door de kraan verder open of dicht te draaien kan de concentratie en daarmee de diepte van de anesthesie nog verhoogd of verlaagd worden. Op deze manier hoeft de patient nooit meer van het anestheticum binnen te krijgen dan strikt noodzakelijk is. Dat is gunstig, want de gebruikte stoffen zijn verre van onschuldig.

De recovery

Ook bij het ontwaken uit de anesthesie zijn er verschillen tussen de beide methoden. Na afloop van de operatie moet bij de injectie-anesthesie het gebruikte anestheticum grotendeels worden afgebroken en uitgescheiden voordat de patient weer bij bewustzijn komt. Bij de gas-anesthesie gaat dit aanmerkelijk sneller. Over het algemeen is de anesthesie binnen twee minuten na het dichtdraaien van de kraan verdwenen. Dat dit sneller gaat dan het verwijderen van een injectie-anestheticum laat zich als volgt verklaren. Zodra de gaskraan wordt dichtgedraaid, vindt op de overgang van de long naar het bloed de omgekeerde reactie pleats. Ging het gas eerst van de long naar het bloed, nu gaat het van het bloed naar de long. Zo kan het dan worden uitgeademd. Dit gaat vele malen sneller dan de afbraak in de lever. Dat de patient dan nog niet wakker wordt, komt doordat de premedicatie nog niet is uitgewerkt. De duur van deze "naslaap" is afhankelijk van het gebruikte middel.

Dat het anestheseren van een dier de volledige oplettendheid vereist van de dierenarts is hopelijk duidelijk geworden. Maar in de inleiding werd gesteld dat ook uw oplettendheid van belang is. Hoe zit dat dan? Wel, dat heeft vooral te maken met complicaties die kunnen optreden tijdens de anesthesie. Hierover in een volgend hoofdstuk meer. Maar als u tussen dit en het volgende hoofdstuk met uw hond naar de dierenarts moet voor een operatie, zijn hier toch nog wat adviezen. Laat uw hond vanaf de avond voor de operatie vasten (dus geen eten en ook geen tussendoortjes); geef hem alleen water. Verder is het verstandig uw hond uit te laten voordat u hem bij de dierenarts achterlaat. Deze maatregelen zijn om te voorkomen dat de hond zal braken (de hond kan in zijn eigen braaksel stikken) en uitwerpselen op de operatietafel achterlaten.

Als u uw hond weer ophaalt en hij is nog slaperig, geef hem thuis dan een rustig, warm plekje om bij te komen en houdt hem in de gaten.

Wees voorzichtig met het geven van drinken; forceer dit nooit. De kans op verslikken is groot en in het ernstigste geval kan daardoor een longontsteking ontstaan. De dag na de operatie kunt u beginnen met het geven van kleine beetjes voer. In het begin kunt u uw hond het best aan de lijn uitlaten (katten proberen enige dagen binnen te houden). Na twee of drie dagen gaat alles weer normaal. Is dat niet zo, ga dan terug naar uw dierenarts.

©APPORT, tijdschrift voor diergeneeskunde en kynologie jan. '95

Michel Abee