Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - De voorhand in relatie tot de achterhand


Naar aanleiding van de door mij met bijzonder veel interesse gevolgde cursus E & B van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland wil ik alle geInteresseerden graag deelgenoot maken van de tijdens deze cursus opgedane kennis m.b.t. het belang van de voorhand in relatie tot de achterhand.

In een tijd, gelegen voor de technische ontwikkelingen welke het mogelijk maakten een beter inzicht te krijgen in de voortbewegingen van de hond, geloofde men in de theorie dat de voorhand als functie had het dragen van het lichaam en het opvangen van dat lichaam na een sprong. En dus een wezenlijke bijdrage leverde aan de voortstuwing welke werd voorbehouden aan de achterhand. Men zag uitsluitend de achterhand als de motor voor de voortbeweging.

Het zijn de onderzoekingen van met name mevrouw R. P. Elliott en de heer Dr. C. M. Brown die m.b.v. de cineradiographie en drukplaten hebben aangetoond dat de bijdrage van de voorhand in de totale voortstuwing ongeveer 40 procent kan bedragen. Om nu het benutten van de voile 100 procent voortstuwing zo dicht mogelijk te benaderen zal de hond een optimale dravers-bouw en draf-techniek moeten hebben. Want de hond is van oorsprong een draver. Dit geldt in het bijzonder voor onze Duitse Herder.

Aangezien vanuit de oorsprong diverse andere rassen voor andere taken als die waarvoor langdurig draven gewenst is zijn gefokt, moeten we bij die rassen rekening houden met een andere stip van draven inherent aan hun vaak niet ideale draversbouw.

Draversverhoudingen

Voor wat deze bouw betreft zijn de ideale dravers-verhoudingen de volgende: Een licht gestrekte bouw met een schofthoogte in verhouding tot de lengte van 1:1,1 (à 1,15) en een beenlengte in verhouding tot de borstdiepte van 1:1. (DH. 53-54% : 47-46%). Een schouderbladligging van ongeveer ± 30 graden over de schouderbladrichel gemeten t.o.v. de verticale as, hetgeen dus duidelijk afwijkt van de in onze D-H rasstandaard voorgeschreven ligging onder 45 graden.

Echter een andere meetmethode (dan die over de richel vanhet schouderblad), waarschijnlijk voor de standaard gehanteerd van hoogste punt schouderblad naar voorste punt boeggewricht benadert de 40 à 45 graden vrij aardig. Het is deze laatste meetmethode welke leidde tot de wens van een 90 graden hoeking tussen schouder en opperarmbeen.

De over de schouderbladrichel gemeten hoeking tussen het schouderblad en het opperarmbeen ligt in de praktijk op ongeveer 105 a 110 graden.

Tevens dient de lengte van schouderblad en opperarmbeen zich te verhouden als 1:1,1 (a 1,15), waarbij het hier gaat om de werkelijke botlengte.

Optimale afzet

Een ligging van de croupe onder een hoek van ongeveer 30 graden t.o.v. de horizontale as. De daarbij gewenste hoeking tussen dijbeen en bekken (heupbeen) is ± 150 graden om een optimale afzet mogelijk te maken.

Dit is nagenoeg gelijk aan de positie van het naar achter geplaatste achterbeen bij een juiste Duitse Herder in STAND.

De in onze D-H rasstandaard voorgeschreven croupligging onder 23 graden is bedoeld om een toenemende verwijdering van de 30 gradenhoek terug te dringen. Belangrijker als het aan de exacte gradenhoek voldoen van de hoekingen is het in balans zijn van de hoekingen in verhouding tot elkaar.

M.a.w. de hoekingen in de achterhand dienen te passen bij de hoekingen in de voorhand. Het belang van de ligging van de croupe onder de beschreven hoek is gelegen in het feit dat daardoor een ontbonden deelkracht in horizontale richting van de vertikale stuwkracht vanuit het achterbeen ontstaat welke wordt doorgeven aan de wervelkolom en zo het lichaam voortstuwt.

Volgens de Mechanica is overdracht van kracht onder dergelijke hoeken het meest optimaal met een zo gering mogelijk verlies aan kracht in richtingen welke niet aan de gewenste voortstuwing bijdragen. Voor wat betreft de draf-techniek liggen de basisfactoren in een goede fysieke en geestelijke conditie.

Overreaching

Zeker voor de Duitse herder met zijn OVERREACHING drafstijl is een goede coordinatie onontbeerlijk naast een gezond en sterk spierstelsel.

Voor de draf-techniek is een belangrijk gegeven dat er door het voorbeen enkel een positieve bijdrage aan de voortstuwing wordt geleverd na het passeren van de loodlijn door het midden van het schouderblad en de grote zoolbal in de afzet achterwaarts tot het moment waarop de tenen de grond verlaten. (Ook op de loodlijn is de kracht nul). Zo ook levert het achterbeen enkel een positieve bijdrage aan de voortstuwing na het passeren van de loodlijn door het heupgewricht en de zoolbal in de afzet achterwaarts tot het moment waarop de tenen de grond verlaten. (Ook op deze loodlijn is de kracht nul).

Het goed uitgrijpen van de voor- en achterbenen levert een bijdrage aan de paslengte en de zweefmomenten tijdens de zwevende draf en zorgt tevens voor een strakker horizontaal bewegen van het zwaartepunt wat het energieverbruik voor de voortstuwing gunstig beinvloedt en zo ook het uithoudingsvermogen vergroot.

Vandaar ook de in de D-H rasstandaard beschreven wens voor een strakke ruglijn tijdens het draven.

Stuiterprincipe

Echter een geheel ontbreken van de op en neergaande beweging van de rug is niet mogelijk daar dit in tegenspraak zou zijn met de eveneens gewenste krachtige afzet door de achterhand welke inherent is aan een geringe opwaartse beweging. Daarnaast maakt de hond tijdens het draven gebruik van het zogenaamde STUITERPRINCIPE. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bij het neerkomen van de voeten absorberen van energie in de pezen van met name de middenvoeten en het weer teruggeven van deze energie aan de spieren van de benen ten behoeve van de voortstuwing.

Een TE VER uitgrijpen en een daardoor TE VROEG neerkomen van de voeten TE VER VOOR de hierboven beschreven loodlijnen heeft een tegengestelde (remmende) werking en dus een negatieve bijdrage aan de voortstuwing.

De relatieve sneiheid van de voet t.o.v. de grond moet op het moment van neerkomen nul zijn, om stampen te voorkomen. Ook zal de hond bij opgevoerde sneiheid (draven) de slingering van het zwaartepunt in het horizontale vlak van links naar rechts en omgekeerd, veroorzaakt door de diagonale gang welke de draf is, proberen te beperken door de benen op een lijn te brengen onder het lichaam het zgn. SINGLE TRACKING.

Hierdoor wordt het energieverbruik door de voortstuwing eveneens gunstig beïnvloed.

Tekortkomingen

Het is een bekend gegeven dat de natuur tekortkomingen altijd zoveel als mogelijk compenseert en de hond is als een natuurlijk wezen hierop geen uitzondering. We zien dan ook wanneer een hond b.v. een niet optimale voorhand zoals hiervoor beschreven bezit en wel juist ontwikkeld is in de achterhand dat er een -van de juiste draf- afwijkende tred in de voorhand optreed om de achterhand-mogelijkheden zo optimaal mogelijk voor de voortstuwing te benutten. Een bekend voorbeeld is de steile voorhand in combinatie met een correcte achterhand met als gevolg het zgn. steppen in de voortred om in de beperking van het uitgrijpen in de voorhand voldoende ruimte te scheppen voor de wel voldoende uitgrijpende achterhand.

Het signaleren van afwijkingen evt. door het herkennen van de compensatie hiervoor in het gangwerk en het herleiden naar de oorzaak hiervan is van essentieel belang voor keurmeesters en fokkers, omdat zij de personen zijn die de plussen en minnen van honden voor de fokkerij goed tegen elkaar moeten afwegen.

Maar ook de deelnemer aan een clubmatch of tentoonstelling zal door kennis op dit gebied of door een goede uitleg over dit onderwerp, (desgevraagd) van de ambterende keurmeester, beter kunnen begrijpen waarom zijn hond een kwalificatie of plaatsing toebedeeld krijgt.

J. Lijffijt

Naschrift redactie

De auteur van bovenstaand artikel is reeds jaren lid van de VDH en geslaagd voor de examens Algemene kennis Kynologie en Exterieur en Beweging van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland. De Raad heeft hem als kandidaatkeurmeester voor Duitse Herdershonden geplaatst op de zogenaamde "B-lijst". In de VDH mogen kandidaat-keurmeesters op VDH clubmatches keuren indien zij met succes het begeleidingsprogramma van de VDH voltooien. Uit het bovenstaande artikel blijkt dat dhr. Lijffijt een diepgaande studie maakt van de beoordeling van de anatomie van het ras. Zijn professionele kennis als constructie-tekenaar heeft hij bij dit artikel volop gebruikt. Het studieobjekt is in dit geval een standopname van de in Nederland gefokte VorzuglichAuslese reu "Odin v. Tannenmeise". Het artikel maakt duidelijk hoe vanuit de theorie de praktijk van de beoordeling getoetst kan worden. De redactie is bijzonder blij met artikelen van deze diepgang. Hierdoor wordt in haar ogen een wezenlijke bijdrage geleverd om onze leden te laten inzien en begrijpen dat de beoordeling volgens de rasstandaard noodzakelijk is voor het behoud van de kwaliteit van de rasverschijning. Dhr. Lijffijt legt niet alleen maar uit hoe de anatomie moet zijn maar ook waarom. De redactie hoopt dat ook andere keurmeesters dit voorbeeld gaan overnemen. Dergelijke bijdragen zijn voor ons maandblad de krenten in de pap.