Rob's web

Home - Honden - Kynologie - De duitse herdershond - Fokgeschiktheid


De deelnemende honden aan een fokgeschiktheidskeuring zijn onder te verdelen in drie categorieën:

  1. keurklasse 1-honden
  2. keurklasse 11-honden
  3. niet in een keurklasse ingedeelde honden

Waardebepaling categorie a

De keurklasse I-honden zijn "aanbevolen voor de fokkerij" na algehele toetsing aan de rasstandaard en na voldaan te hebben aan eisen ten aanzien van heupstatus en africhtingscertifikaten. Onder keurklasse I-honden bevinden zich ook exemplaren die met enige regelmaat de kwalifikatie "Uitmuntend" verkregen hebben op clubmatches en/of tentoonstellingen. We hebben hier alzo te maken met echte veelzijdige honden die zowel goede werkprestaties kunnen leveren alsook in anatomisch opzicht meer dan gemiddelde eigenschappen bezitten. Zeer nastrevenswaardig en voor de fokkerij interessant.

Waardebepaling b

Ook honden uit keurklasse II kunnen voor de fokkerij hun waarde bezitten. Ze zijn immers "geschikt voor de fokkerij". Vaak evenwel zijn dit dieren die in de lagere keurklasse terecht zijn gekomen op grond van bepaalde anatomische onvolkomenheden waardoor een weldoordachte fokpartnerkeuze van extra groot belang is. Een goede combinatie van twee keurklasse II-honden kan soms uitstekende exemplaren opleveren. Het is daarom vooral zaak met name te letten op de reden waarom de dieren in die bewuste keurklasse terecht zijn gekomen. Een voorbeeld: is een reu in keurklasse II ingedeeld op grond van een cm overgrootte dan hoeft dit geen onoverkomelijke hindernis te betekenen: met name de middelgrote teven, waar qua bloedvoering ook al niet al te grote knapen achter zitten, kunnen in deze reu een uitstekende fokpartner vinden. En zo geldt het voor een heleboel zaken.

Waardebepaling c

De niet in een keurklasse terechtgekomen dieren zijn in principe voor de fokkerij niet interessant. We gaan er vanuit dat zoals het een goed V.D.H.-lid betaamt, de eigenaar er immers naar streeft zijn hond te laten keuren op fokgeschiktheid. Om een of andere reden is de hond niet geschikt. Het moge duidelijk zijn dat we er niet naar streven om erfelijke fouten zich verder onder het ras te laten verspreiden.

Wel kan de bloedvoering een indicatie zijn voor de goede werkeigenschappen. In deze zin kunnen goedgekeurde nestgenoten waarschijnlijk van betekenis zijn. Maar de fouten van de voor de FGK ongeschikte broers/zusters kunnen latent in de erfmassa aanwezig zijn. Een serieus fokker örienteert zich breed en informeert naar eigenschappen van nestgenoten van de te gebruiken fokpartners.

Fokkerij

Van oudsher wordt de fokkers vanuit de rasvereniging voorgehouden dat we te maken hebben met een specifiek gebruikshondenras. Zowel de werkproeven als de exterieurkeuringen toetsen de honden aan de geschiktheid voor het werk. De term "gebruikswaarde" valt als volgt te omschrijven: "Alle eigenschappen die de hond in staat stellen de van hem verlangde prestaties naar behoren te verrichten". Niet altijd wordt ingezien dat het exterieur iets te maken heeft met werkgeschiktheid. Een voorbeeld moge duidelijk maken dat verwaarlozing van faktoren vergaande gevolgen kan hebben. Bij de fokgeschiktheid alsmede bij de exterieurkeuringen wordt nauwlettend gekeken naar het volledig zijn van het gebit. Alhoewel het voor het verrichten van het werk niet of nauwelijks van betekenis is of er bijvoorbeeld een praemolaar-I al dan - niet aanwezig is, in de fokkerij mag dit niet verwaarloosd worden. Paart men honden die heterozygoot oftewel fokonzuiver zijn voor een compleet gebit onderling of met dieren die ontbrekende elementen vertonen dan kunnen er nakomelingen geboren worden welke later tot meerdere tanden en kiezen kunnen missen. Een bestaand voorbeeld: een reu met een compleet gebit (K.KI.1) die bewezen had, nakomelingen verwekt te hebben met tandfouten en die dus als heterozygoot te beschouwen valt, werd gepaard aan een teef met ontbrekende P-2. In de erfelijkheidsleer of genetica is het bekend dat fouten elkaar kunnen versterken en in dit geval bleek dit ook: uit de combinatie werd een reu geboren die maar liefst zeven tandelementen miste. In zijaanzicht was waarneembaar dat dit geleid had tot verkorting van de onderkaak. Een en ander resulteerde in verminderde grijpkracht in de bek. Ondanks het aanwezige temperament bleek de hond op fysiologische gronden minder geschikt te zijn voor het manwerk en vertoonde dus een gebruiksfout. Binnen de fokkerij is, ondanks het herhaald de nadruk leggen op het algeheel belang van de gebruikswaarde, steeds weer waarneembaar de neiging tot polariseren. Mensen lichten bepaalde eigenschappen uit het brede spectrum der raseigenschappen en hechten hier overdreven waarde aan. De zinsnede "als hij maar bijt" die zo frequent gebruikt wordt in de communicatie tussen hondenliefhebbers, illustreert op treffende wijze hoe belangrijk men het vindt dat de hond veel scherpte en vechtlust bezit. Zelden of nooit hoort men bijvoorbeeld zeggen hoe belangrijk men het vindt als een hond beschikt over een goede erfelijke aanleg voor het speuren. De fokkers spelen hier op in door fokpartners te gebruiken met een meer dan gemiddelde strijddrift en scherpte. Dat men hiermee gevaarlijk terrein betreedt wordt niet altijd beseft. Los van de huidige maatschappelijke discussie over het al dan niet gewenst zijn van manwerk in het algemeen, valt op te merken dat het graag en fel willen bijten over het algemeen vertoond wordt door honden die over veel "scherpte" beschikken. Scherpte kan gerelateerd worden aan prikkelbaarheid, het snel en heftig reageren op uitwendige prikkels. Deze prikkelbaarheid grenst dicht aan overdreven reactie der zenuwen, een toestand die zo gevoelig is voor externe invloeden dat een tendens naar onzekerheid aanwezig is. Overdreven scherpte leidt naar onzekerheid. De fokkerij is daarbij gebaat met fokpartners die een stabiel, zelfverzekerd en sociaal karakter tonen. Fokkers die zich voornamelijk richten op het exterieur kunnen zich ook blind staren op bepaalde eigenschappen. Zo heeft men het altijd prachtig gevonden als op de keuringen honden verschenen die imposant waren: groot, krachtig, zwaar en vooral scherp gehoekt. Dit was imponerend, de keurmeesters zagen het ook graag en met dat type liep men dus meestal voorop. Kwam reeds in 1925 hierin een kentering door een ander beleid van bovenaf, na de jaren vijftig waarin de zware jongens hun triomfen weer volop vierden kwamen in de zestiger jaren de problemen met de heupen en de werkgeschiktheid op een keerpunt toen met de selektie op heupdysplasie begonnen werd. Als ras werd duidelijk dat erfelijke aanleg een grote rol speelde. Het duurde wat langer voor men er bijvoorbeeld achter kwam dat de heupstatus gerelateerd kon worden aan grootte en gewicht van het dier, doch ook aan de hoeking oftewel het biomechanisch evenwicht bij het dier. Nog steeds bestaat deze tendens, nog steeds vindt men groot en fors mooi en hoe scherper gehoekt, hoe meer de hond gewild is. Kortom de toetsing aan gebruikswaarde vindt ook daar onvoldoende plaats.

Eigenschappen

Bij deze polarisatie valt op dat de fokkers die zich richten op het fokken van vooral honden voor de africhting, zich minder richten op zaken zoals beharing, kleur, hoekingen, gebit, staartdracht, verhoudingen, geslachtstype, mono/cryptorchidie, vastheid etc. maar wel veel waarde hechten aan scherpte, vechtlust, moed, temperament, middelgrootte en het niet overdreven zwaar zijn. Zo kon het ondermeer gebeuren dat de kleur wolfsgrauw die bij de exterieur mensen niet zo in trek bleek, naar verhouding bij die groep ook steeds minder gefokt werd. Langzamerhand leidde dit naar de nu nog algemeen gangbare mening dat de kleur grauw verband hield met goede werkeigenschappen. Gesuggereerd werd echter dat door gebruik te maken van grauwe fokpartners de werkaanleg verbeterd kon worden. Dit zou echter in houden dat tussen de kleur grauw en de werkaanleg een correlatie zou bestaan. Nu zijn er bij de Duitse Herdershond wel diverse correlaties aangetoond, maar niet die tussen beide genoemde zaken. Omdat grauwe honden meer gebruikt worden door fokkers die zich op de gebruikseigenschappen richten, klopt het wel dat statistisch gezien de grauwe exemplaren meestal uit goede werklijnen stammen. Dit geldt evenwel ook voor de zwart/gele exemplaren uit een grauwe voorouder.

Genetische samenstelling

De jarenlange polarisatie heeft er toe geleid dat de erfmassa binnen de zogenaamde "africhtingslijnen" iets afwijkt van de zogeheten "schoonheidslijnen". Een fraai voorbeeld levert ons de situatie zoals die viel vast te stellen in de voormalige DDR, ten opzichte van West-Duitsland. De Oostduitse honden die vanaf de Tweede Wereldoorlog !outer onder eigen gezag gefokt werden, ontwikkelden andere verschijningsvormen. Het acsent lag in de DDR nadrukkelijk op de geschiktheid als gebruikshond. Er kwamen relatief veel grauwe en donkere honden voor, die lichter geknookt waren, wat substantie misten, minder goede voorhanden vertoonden, vooral wat meer scherpte bezaten, uitstekende heupen bezaten en veel temperament, maar waarbij eigenschappen als gebitsfouten, mono/cryptorchidie etc. veel voorkwamen. Werklijnen bevatten veelal relatief meer de fouten die in het algemeen noodzakelijk geacht worden. Zo bracht de eerder genoemde Bernd Lierberg o.a. naast zijn goed eigenschappen ook minder gewenste zaken zoals bijvoorbeeld het ontbreken van tandelementen. Een Greif Lahntal die zelf niet erg groot en net middelkrachtig was gaf dit ook aan vele nakomelingen door. De goede werkeigenschappen overheersten evenwel en zo zien we de enorme invloed die sommige exemplaren op de werklijnen hebben kunnen uitoefenen. Met in het achterhoofd de gedachte dat alle fokkers er nu toch maar eens naar moeten gaan streven hun fokmateriaal kritisch en bij voortduring te gaan toesten aan de norm "gebruikswaarde" is het interessant in dit verband de term "heterosis" nader toe te lichten. Heterosis is de wetenschappelijke naam voor bastaardkracht en duidt op de toename van levensvatbaarheid, vruchtbaarheid, weerstand, etc. en in de meest gunstige vorm leidend tot een gemiddeld betere kwaliteit van de nakomelingen vergeleken met de ouderdieren. Dit effect treedt op bij kruising van nietverwante dieren, waarbij ervan uitgegaan wordt dat de gunstige genen dominant zijn over de minder gunstig, kortom wanneer heterozygotie gerelateerd wordt aan kwaliteitsverbetering. Heterosis kan slechts dan zich duidelijk manifesteren wanneer de beide ouderdieren geen enkele directe verwantschap hebben, bijvoorbeeld twee dieren van verschillend ras. Binnen een ras is al veel minder effect te verwachten. Om toch op enigerlei wijze te trachten lets van het heterosis-effect in de nakomelingen terug te zien past men dus in feite in extreme vorm een foksysteem toe dat het omgekeerde is van inteelt: we spreken dan over uitteelt. In het algemeen spreken we van uitteelt wanneer de te paren exemplaren een mindere onderlinge verwantschap vertonen dan het gemiddelde van de totale populatie. Volkomen uitteelt is binnen het ras zo goed als uitgesloten. Altijd is er wel een gemeenschappelijke voorouder te vinden. Wanneer we spreken over "inteelt" is deze term niet steeds juist. In kynologisch vakjargon wordt in principe alleen van inteelt gesproken als het gaat om ouder-nakomeling kruising of broer-zus kruising. Soms nog van de combinatie tussen halfbroer en halfzus. De overige kruisingen tussen verwanten rangschikken we onder "lijnenteelt". Gemakshalve spreken we meestal bij een gemeenschappelijke voorouder tot en met de vijfde generatie van "inteelt".

Consequenties van inteelt

Bij inteelt worden zowel gewenste als niet gewenste eigenschappen vastgelegd in de nakomelingen door de grotere mate van homozygotie in de kenmerken. De fokker komt er wel beter achter wat de erfelijke aanleg van zijn fokdieren is. Bij volgende paringen kan hij hiermee zijn voordeel doen. Hoe nauwer de inteelt, hoe meer naar voren komt wat er aan genetisch materiaal aanwezig is. Nauwe inteelt kan pas succesvol zijn als gelijktijdig een strenge selectie toegepast wordt. Vast staat dat in de fokkerij van ondermeer honden het toepassen van inteelt cq. lijnenteelt gepaard gaat met depressieve kenmerken met name polygeen verervende eigenschappen zoals vruchtbaarheid, vitaliteit en weerstand tegen ziekten nemen of naarmate de inteelt toeneemt. Afgezien van de selectie op qualitatieve eigenschappen vraagt ook het quantitatieve deel van het genetische spectrum de nodige aandacht, in het bijzonder betreffende de niet ras-rastypische kenmerken.

Consequenties van uitteelt

Het probleem van uitteelt wordt gevormd door het gegeven dat de verkregen toename van heterozygotie weliswaar gunstig is voor de eerste generatie, maar dat verder fokken leidt tot duidelijke kwaliteitsafname. Dit effekt wordt nog versterkt als de oorspronkelijke ouderdieren ieder voor zich afstamden uit een behoorlijke ingeteelde lijn. Er zijn zoveel verschillende genen dat de variatie in de tweede generatie en verder ctusdanig is toegenomen dat van enige uniformiteit geen sprake meer is. (Variatie-verschillen ontstaan door erfelijke aanleg: daartegenover staat modificatie: verschillen onder invloed van milieufactoren). Voor de fokker is dan het levengrote probleem ontstaan op welke voorouder hij terug moet gaan fokken om toch maar iets van de inmiddels ruim voorhanden goede eigenschappen te kunnen behouden. De fokkers van rundvee gebruiken om deze redenen dan ook een uitteelt meestal uitsluitend voor de productie van een generatie slachtdieren. Het leveren van fokdieren vraagt om een andere methode. Bij succesvolle honden zijn vaak uitgeteelde exemplaren, doch de beste nakomelingen zijn doorgaans verwekt door ingeteelde exemplaren. In het algemeen is het zo dat het toepassen van een strenge selectie meer resultaten oplevert dan het plegen van een uitteelt, in ieder geval op de langere termijn. Slechts bij het duidelijk optreden van inteelt-depressie-verschijnselen is het zaak een "out-cross" toe te passen.

De situatie in Nederland

Er zijn verschillende africhtingslijnen in Nederland met voortreffelijke africhtingskwaliteiten. Helaas zijn er relatief weinig honden die fokgeschikt zijn, op grond van vereiste fysiologische eigenschappen. Te lange beharing, mono-cryptorchidie, tandfouten, verfijning van botten, te lichte structuur, overgeprikkelde karakters met weliswaar goede bijtdrift maar onvoldoende sociaal adaptatie-vermogen. Lijnenteelt leidt ook in africhtng soms naar over-accentuering van eigenschappen. Het paren van twee uiterst scherpe, uitstekend bijtende ouderdieren kan bij sommige nakomelingen leiden tot hypernervositeit, neiging tot angstreacties, uitschieten. Dit versterken van een kenmerk zagen we in het voorbeeld reeds besproken aan de hand van een kwalitatief verervende eigenschap: het ontbreken van tandelementen. Mede dankzij de fokgeschiktheidskeuringen doch ook tengevolge van de maatschappelijke verlangens ten aanzien van karakter en sociale adaptatie zijn de karakters van onze Duitse Herdershonden de laatste jaren behoorlijk verbeterd. Een van invloed zijnde factor is tevens de licht afgenomen populariteit van het ras: populariteit is veelal omgekeerd evenredig met kwaliteit, zowel op het gebied van karakter als gezondheid. Het waarschijnlijk tijdelijke "Commissaris Rex"-effect zal vermoedelijk slechts een kortdurende populariteitsverandering teweeg brengen. Binnen de fokkerij wordt naar verhouding veel waarde gehecht aan het belang van het zogenaamde "manwerk". Bijvoorbeeld de erfelijheidsgraad (h2-factor) van het speuren blijkt iets groter te zijn dan de capaciteit tot verdedigingswerk. Het gehoorzaamheidsgedeelte staat nog het meest onder invloed van de capaciteiten van de geleider. Uitgebreid wetenschappelijk onderzoek in West-Duitsland heeft dit bevestigd.

Model psychische eigenschappen

Ten aanzien van karaktereigenschappen zouden we een model kunnen opstellen, waarin opgenomen alle vormen van karakter en geschiktheid voor het werk. De diverse omschrijvingen zijn dan weliswaar niet zo scherp omlijnd doch vloeien in elkaar over.

Bij gepolariseerd fokken, dus eenzijdig gericht op anatomische componenten dan wel africhtingskwaliteiten ontstaat al snel een tendens die zich linksom verplaatst bij het fokken op africhtingsgebied en rechtsom als voornamelijk op exterieur gefokt wordt. Toename van de gebruikswaarde vindt plaats in het schema van onder naar boven. De gestippelde middellijn zouden we kunnen beschouwen als minimum-eis voor gebruiksgeschiktheid. Het nut van een dergelijk model voor de fokkerij wordt gevormd door het inzicht van de fokker binnen welk gebied zijn fokdieren in te schalen zijn, daarnaast de mate van inschatting van de te gebruiken fokpartners na bepaling van de te volgen tendens.

Besluit

Fokkers van Duitse Herdershonden die honden gebruiken die gekeurd zijn op een fokgeschiktheidskeuring bewandelen de juiste weg. De hierboven gegeven informatie, ondanks haar beperktheid, helpt hen hopelijk te bepalen waar zij zich op die weg bevinden. Er zijn diverse mogelijkheden aanwezig om feitenmateriaal niet louter te vergaren doch tevens te benutten om informatie te verkrijgen over de gebruikswaarde van het ras. Slechts sporadisch wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden.

Een bezwarende factor wordt gevormd door het feit dat op het bestuurlijk kader van de vereniging een grote werkdruk wordt gelegd met name ten aanzien van organisatorische zaken. Zo blijft er weinig ruimte over om te filosoferen over noodzaak en rendement van data-filing.

Literatuur