Rob's web

Alvleesklier

Home - Medisch - Anatomie en fysiologie - Alvleesklier


De alvleesklier (buikspeekselklier) (van Grieks πάν = "alles" en κρέας = "vlees") (Lat.: pancreas) is een orgaan dat zich retroperitoneaal in de buikholte, gedeeltelijk achter de maag en de twaalfvingerige darm bevindt. De alvleesklier komt eveneens achterlangs in contact met de linker nier en bijnier. Bij de volwassene is de pancreas 12 tot 15 cm lang en weegt 70 tot 100 gram. De pancreas bestaat uit een caput (hoofd), een corpus (lichaam) en een cauda (staart) en is een gemengde klier met externe en interne secretie.

Alvleesklier

De secretiefunctie van dit orgaan is dus dubbel, namelijk:

Anatomie

Eilandjes van Langerhans

De eilandjes van Langerhans (genoemd naar hun 19e-eeuwse Duitse ontdekker Paul Langerhans) vormen het endocriene deel van de alvleesklier en produceren hormonale stoffen, die rechtstreeks in de bloedsomloop terechtkomen, niet in de alvleesklier zelf. Ze beslaan maar 1 tot 2 % van het gehele pancreasvolume.

Er bestaan verschillende soorten cellen in de eilandjes van Langerhans. De zogeheten α-cellen (ca. 20%) produceren glucagon, de β-cellen (ca. 80%) insuline en de δ-cellen gastrine en somatostatine.

Eilandjes van Langerhans dienen niet verward te worden met de cellen van Langerhans, die een rol spelen bij het immuunsysteem.

Exocrien systeem

Het exocrien systeem bestaat uit exocriene klieren, of afvoerklieren, die zorgen voor de excretie of uitscheiding. Het systeem werkt tegengesteld aan het endocrien systeem dat hormonen afscheidt aan het organisme zelf, aan bloed en weefselvloeistof.

Ductus pancreaticus

De ductus pancreaticus, ook wel ductus Wirsungi of ductus pancreaticus Wirsungi is een kanaal in de alvleesklier die samen met de ductus choledochus uitmondt in de papil van Vater. Het kanaal is de afvoerbuis van de exocriene verteringssappen van de alvleesklier.

Het kanaal is vernoemd naar de ontdekker ervan, de Duitse anatoom Johann Georg Wirsung (1589-1643).

Papil van Vater

Papil van Vater (wetenschappelijke term: papilla vateri of papilla duodeni) is de plaats waar de ductus choledochus (afvoerbuis van de galblaas of galgang) en de ductus pancreaticus (afvoerbuis van de alvleesklier) uitmonden in de twaalfvingerige darm. Rond de papil van Vater bevindt zich een kringspier, de sfincter van Oddi, die toevoer van de spijsverterende stoffen (gal, enzymen en natriumbicarbonaat) in het spijsverteringskanaal regelt.

Het bevindt zich in de twaalfvingerige darm vlak na de uitgang van de maag en is te herkennen aan een verdikking in het slijmvlies van de twaalfvingerige darm.

De naam komt van de Duitse anatoom Abraham Vater, die de structuur in 1720 voor het eerst beschreef.

Insuline

Insuline is een polypeptidehormoon met molecuulformule C254H377N65O75S6.

Insuline wordt geproduceerd door de Eilandjes van Langerhans die in de alvleesklier liggen. Als het suikergehalte in uw bloed stijgt, zet insuline een gedeelte van die glucose om in glycogeen, een zetmeel dat in de spieren en de lever wordt opgeslagen en dat direct als brandstof dienst kan doen. Als alle glycogeenreservoirs vol zitten en zich in het bloed meer glucose bevindt dan het lichaam op dat moment nodig heeft, zal insuline deze overmaat omzetten in vetweefsel, waarvan triglyceride de belangrijkste chemische component is.

Synthese

Insuline ontstaat uit preproinsuline, dat gesynthetiseerd wordt in het endoplasmatisch reticulum van de bètacel. In het golgi-apparaat wordt preproinsuline gesplitst in proinsuline en uiteindelijk insuline. Bij de splitsing van proinsuline ontstaat naast insuline een peptidefragment; het C-peptide. De twee overgebleven polypeptides die het insulinemolecuul vormen, zijn via twee zwavelbruggen aan elkaar bevestigd. Insuline en het C-peptide worden opgeslagen in granules in de bètacellen. Ze worden door exocytose gelijktijdig uitgescheiden samen met kleinere hoeveelheden proinsuline. Het C-peptide komt dan samen met insuline in het bloed terecht. Op dit punt is onderscheid te maken tussen in het lichaam geproduceerd insuline en insuline die is geïnjecteerd. Bij een verhoogde insulineafgifte door het lichaam zal namelijk ook de hoeveelheid C-peptide stijgen. Bij geïnjecteerd insuline gebeurt dat niet.

Afgifte

De belangrijkste factor bij de afgifte van insuline is de glucoseconcentratie in het bloed. Andere stimulerende factoren zijn aminozuren, vetzuren en het parasympatische zenuwstelsel. Wanneer de bloedsuikerspiegel stijgt, gaat glucose de bètacellen binnen via een membraaneiwit, de glucosetransporter GLUT-2. Glucose wordt via de normale weg gemetaboliseerd (glycolyse en citroenzuurcyclus), wat ertoe leidt dat de concentratie ATP in de bètacel stijgt. Het ATP blokkeert kalium-ATP-kanalen, waardoor het celmembraan depolariseert en spanningsafhankelijke calciumkanalen zich openen. De calciumconcentratie in de cel stijgt en dat leidt ertoe dat insuline wordt afgegeven.

Werking

Koolhydraten die je suikerspiegel flink opjagen zoals bijvoorbeeld in brood, suiker, rijst, pasta en aardappelen zorgen ervoor dat je lichaam de makkelijkste weg kiest en dus gaat draaien op energie uit suikers ipv je vet reserves. Door de snelle koolhydraten weg te laten moet het lichaam wel overgaan op gebruik van vetten. Zolang echter je suikerspiegel te hoog is (veel mensen zijn nl al prediabetes en hebben ook geen honger als ze opstaan) blokkeert de insuline je vetverbrandingshormonen. Dit dieet zorgt voor een lagere suikerspiegel wat dus zeer gunstig is voor mensen met buikvet problemen, metabool syndroom, pre-diabetes en diabetes 2. Door de alvleesklier rust te geven en dus minder insuline aan te maken gaat je lichaam vetreserves aanspreken en vermindert daardoor je eetlust. Heb je toch nog honger met dit dieet dan eet je te weinig en moet je je porties iets verhogen, zolang je maar niet voor snelle koolhydraten kiest, dan staan je meteen dagen stil. Probeer dit eens 2 weken en zie wat er met jezelf gebeurt.

Hyperinsulinaemie

Hyperinsulinaemie is een situatie waarbij de insuline waardes hoger zijn dan normaal.

Aandoeningen

Ontstekingen van de pancreas uiten zich vooral in de vorm van spijsverteringsproblemen (malabsorptie, diarree) en insulinetekort (diabetes mellitus). Pas als ongeveer 90% van de pancreas vernietigd is, doen zich belangrijke functiestoornissen voor.

Pancreatitis is een niet-bacteriële ontsteking door activering van vrijgekomen verteringsenzymen in de pancreas met zelfvertering tot gevolg.